Het ritme van de woestijn is eenvoudig: overdag te heet, s’nachts te koud. Momenteel was het te koud. De Schrijver en de Kameel lagen om een kampvuurtje. In de rug was het te koud, en aan de voorkant en in het gezicht was het te warm.
“Waar denk je aan?” vroeg de Kameel. De Schrijver staarde in het vuur. Hij dacht aan de ontelbare keren dat hij deze vraag stelde aan geliefden en geliefden deze vraag aan hem. Het was meestal een veeg teken binnen de relatie. En ook nu had de Schrijver geen zin om het antwoord te geven. Tot hij besefte dat het een vreemde vraag was voor een Kameel die zijn gedachten kon horen.
“Kun je dat niet horen dan?” zei de Schrijver.
“Nou je denkt aan zoveel tegelijk dat ik het niet goed horen kan. Eh, misschien moet ik je vragen waar denk je het meest aan?”
De Schrijver kreeg een ondoorgrondelijke blik.
“Ah, daar aan.” zei de Kameel begrijpend. “Hm, dat is minder leuk. Denk je daar vaak aan?”
“Te vaak. Maar dat wist je al.”
“Waarom denk je daar zo vaak aan?”
“Waarom vraag je zoveel Kameel?”
“Interesse.” zei de Kameel en keek de donkere woestijn in en voelde de kou van de nacht. De Schrijver ging rechtop zitten. Slapen lukte toch niet.
“Ik snap het gewoon niet Kameel, ik had een baan nu moeten hebben, een gezin, een huis, een leven. Vrienden. En het is er niet. Ik voel alleen leegte. En om die leegte niet te voelen maak ik veel lawaai.”
“Heb je de leegte wel eens betreden?”
De Schrijver keek spottend. ” Nee Sir, ik heb de leegte nog nooit betreden. Lijkt me ook niet veel aan. Het heeft denk ik ook niet veel te maken met Zen-achtigheden of andere boeddhistische principes.”
“Het Grote Niets.” De Kameel keek nog steeds in het duister.
“He ja, die houden we er in.” zei de Schrijver zogenaamd opgewekt. “Het grote Niets… gezellig.” de Schrijver zuchtte diep.
“Dat Grote Niets bestaat helemaal niet.” zei de Kameel en draaide langzaam zijn hoofd weer richting kampvuur.
“Nee? Krijgen we nu weer een staaltje logica?”
“Nee, het bestaat gewoon niet.”
“Omdat jij het zegt?”
“Omdat ik het zeg.”
“Ga je neuzelen over het woordje ‘grote’ zo van, het niets bestaat wel maar het grote niets niet, want niets is niets, en het grote niets zou doen vermoeden dat er nog iets groters is dan niets, namelijk het grote niets en als er een kleine en een grote Niets bestaat is het niet Niets meer.”
“Nee, dat zou ik helemaal niet willen beweren.” zei de Kameel en had ondertussen al weer iets te kauwen gevonden.”
“Wat dan?” riep de Schrijver die nu helemaal wakker was geworden.
“Gewoon. Niets bestaat niet, het is de menselijke geest die wat er voorbij zijn eigen grenzen ligt tot niets bestempeld om er vervolgens vreselijk bang voor te worden. Dat is niet niets, dat is kortzichtig.”
“Oh, dus je zegt eigenlijk dat ik kortzichtig ben omdat ik bang ben voor leegte.”
“Je bent bang voor de grenzen van je bevattingsvermogen. Voor de grenzen van je persoon, van je geest.”
De Schrijver had het kunnen weten dat hij in een stoffige filosofische discussie terecht zou komen met de Kameel. Dat gebeurde immers altijd.
“Ik ben niet bang.” probeerde de Schrijver nog. De Kameel trok zijn wenkbrauwen op.
“Nee nee, er zijn dingen die je niet kunt, en dat jaagt je angst aan. Faalangst heet dat.”
“Nee, faalangst is gewoon faalangst. Angst om te falen. Bang dat iets niet lukt.”
“Ja, en dat komt allemaal voort uit het besef, het diepere besef, dat dingen niet kunnen lukken. En dat er ook dingen zijn die jou niet lukken.”
“Pff kom op zeg, ik weet dat ik geen Straaljagerpiloot kan worden. Dat zit er bij mij gewoon niet op, ik weet ook dat ik geen briljant wiskundige zal worden dat zit er bij mij ook niet op.”
“Maar het zijn wel de twee dingen die je had willen worden.” zei de Kameel.
Hier was weer dat schokeffect. Telkens weer liep de Schrijver in de Valkuil van de Kameel. Telkens was die Kutkameel hem weer te snel af.
De kameel keek hem doordringend aan:
“Of wil je me vertellen dat je geen Straaljagerpiloot wilde worden? Ik weet wel dat het een kinderachtige droom lijkt. Maar jij had zoals zoveel kinderen die droom. Je wilde het worden. Maar je werd het niet. Want je was er van overtuigd dat je dat niet zou redden.”
“Precies.” zei de Schrijver.
“Maar dat is niet helemaal zo, je denkt namelijk dat je het wel had kunnen worden. Je denkt dat als jij je er werkelijk toe had gezet, uren en uren had geploeterd keihard had doorgestudeerd, dat het je wel zou zijn gelukt. Jij denkt dat het in principe nog wel mogelijk moet zijn dat jij Schrijver, Straaljagerpiloot kan worden. Net zoals je denkt dat als je nu keihard aan de wiskunde gaat je het nog wel ver zal schoppen. Dat je het potentieel wel degelijk hebt.”
De schrijver had het liefst zijn oren willen dichtstoppen. Maar de Kameel had weer gelijk.
“Wat je niet wilt zien of horen is dat het misschien wel eens niet zo is. Dat je het gewoon niet kan. Dat als je nog zo je best zou doen, dat als je nu 3 jaar intensief zou gaan studeren, je nooit boven de middelmaat uit zult komen met wiskunde. En dat je naar 10 jaar simulatie vliegen nog steeds niet goed genoeg bent om eens echt in een straaljager te kunnen vliegen.”
De kameel zweeg, ook dat deed ie altijd op een moment dat het hardste aankwam. De Schrijver hoopte op relativerende woorden, op een clou. En die kwam niet.
“Maar Kameel, dus ergens denk je dat ik denk dat ik het niet kan, maar stiekem denk ik dat ik het eigenlijk wel kan, maar omdat ik niet mijn best heb gedaan komt dat er niet uit. Dus hou ik mezelf zoet met dingen die ik niet kan. Wel zou willen. Etc etc. Maar wat heeft dat nou te maken met dat het grote Niets niet Bestaat, en de angst voor de grenzen van mijn geest, voor de grenzen van mijn kunnen.”
De kameel antwoordde langzaam: “Om iets nieuws te leren moet je buiten je grenzen treden. Wat jij doet is iets nieuws willen terwijl je nog binnen je grenzen staat. En dat lukt niet.”
“Dat is mij veel te vaag Kameel. Het klinkt leuk, maar de grenzen van mijn kunnen zijn toch gewoon de grenzen van mijn kunnen. Hoe kan ik daar nu buiten treden?”
“Nu doe je het weer. Dat domein, wat jij leegte noemt probeer je weer te benaderen vanuit het bekende. Dat lukt niet. Je zult daar tot in de eeuwigheid op stuklopen.”
“Dus als ik wiskunde zou willen leren, moet ik het buiten mijn grenzen zoeken, ik moet voorbij het bekende, voorbij mijn beperkingen, ik moet het zoeken in die Leegte. In dat Niets.”
“Eng he?”
De Schrijver knikte, hij ging op zijn rug liggen en keek naar de sterren.
“Nogal anstaanjagend ja.”
“Angst is de grens, daarachter liggen je mogelijkheden.”
“Zonde van die angst dan.” zei de Schrijver.
“Je kunt het ook als richtingaanwijzer voor je grenzen waar je voorbij moet gebruiken.”
“Moet ik zo soms de Schrijfster zoeken?” zei de Schrijver en zijn stem klonk ineens hoopvol.”
De Kameel zweeg alleen maar. En de Schrijver wenste dat hij de gedachten van de Kameel kon horen. Maar hij wist weer niet dat Kamelen heel goed kunnen niet denken.
Hun eigen grenzen voorbij.