In de verte verscheen een klein stipje, het werd groter en bleek een Feniks. Hij landde op de schouder van de Schrijver.
“Er is geen water in de buurt.” klonk de Feniks bezorgd. De Schrijver merkte aan zijn lichaam dat hij schrok, zijn gedachten echter waren rustig.
“Ach, we vinden wel wat, laten we nu eerst maar wat schaduw vinden.”
“Maar we zitten midden in de zandduinen Schrijver, ik heb nergens schaduw kunnen vinden.”
De zon leek iets harder te gaan branden.
“Ach, ik denk niet dat Eva ons terug de woestijn in heeft gestuurd om ons te laten sterven of zoiets.”
“Maar Eva had er misschien niet bij nagedacht dat wij geen water bij ons hebben.”
Weer voelde de Schrijver een steek van misselijkheid. Maar zijn gedachten bleven rustig.
“Ik kan me niet voorstellen Feniks dat we hier uitdrogen… jij?”
“Nou, mij maakt het niet uit, ik word toch wel herboren. Maar jij Schrijver, jij moet nog je Schrijfster vinden.”
De Schrijver haalde zijn schouders op.
“Laten we gewoon rustig een kant oplopen, niet te snel en niet te langzaam.”
“Of…” zei de Feniks.” misschien heeft Eva ons hierheen gestuurd en dat we hier moeten wachten op vervoer of iets anders, misschien op iemand die ons de weg kan wijzen…”
Weer voelde de Schrijver een scheut door zijn maagstreek.
“Dan zou ze dat toch wel gezegd hebben? Ik denk dat dit een of andere test is.”
“Een test? Waarvoor dan? Er is tientallen kilometers om ons heen niets. Ik heb heel wat afgevlogen en niets gevonden.”
“Nou misschien wordt mijn creativiteit getest, of mijn uithoudingsvermogen.”
“Wat heb je er nou aan om te weten hoe lang je zonder water kunt. Dat weet je toch al.”
“Ja drie dagen, maar misschien is het belangrijk om eens tot het uiterste te gaan.”
“Welk uiterste? Jij wil toch je Schrijfster vinden? Waarom zou je in een woestijn dan dorst moeten lijden?”
“Nou Jezus heeft anders ook 40 dagen in de woestijn rondgedwaald.”
“Jij bent Jezus toch niet?” zei de Feniks. Er stak ineens een wind op. Het was alsof de lucht werd opgetild, daarna werd het weer muisstil.
“Wat was dat?” zei de Schrijver op zijn hoede.
“Ik kan me Jezus nog goed herinneren.” zei een stem achter de Schrijver. Hij draaide zich met een ruk om en keek in de ogen van een keurige man in pak. Driedelig wel te verstaan.
“Wie ben jij nu in Godesnaam.” De man maakte een afwerend gebaar.
“Ik? Hm… heb vele namen natuurlijk.” de man sloeg wat stof van zijn pak en liep zelfverzekerd op de Schrijver af.
“Ah…” zei de Schrijver. “Nee maar, ik had het kunnen weten.”
“Hoe wat?” zei de Feniks.
De man in driedelig keek geamuseerd naar de Feniks. “Jij bent ook niet goed in gezichten onthouden.”
“Het is de Duivel himself.:” zei de Schrijver. “En hij komt vast met een of ander aanlokkelijk voorstel waarmee mijn problemen in een klap zijn opgelost, maar waar dan vervelende kleine verraderlijke lettertjes bij zitten die zeggen dat ik mijn ziel kwijt raak, of dat ik eeuwig mag branden.”
“Welnee.” zei de Duivel. “Doe niet zo ouderwets zeg. Denk je nu echt dat ik problemen oplos? Ik creeer ze hooguit.” de Duivel keek veelbetekenend. “Ik was toevallig in de buurt, ik hoorde van Eva dat jullie hier zijn en ze vroeg of ik wilde helpen.”
“Nou Eva, bedankt zeg.” de Schrijver was teleurgesteld.
“Kom kom Schrijvertje, ik snap dat je me niet vertrouwd, je associeert me natuurlijk met pijn, haat verderf moord terrorisme, vagevuur en slechte gedachten…”
“Ja wat anders?”
“Ok, die associaties zijn natuurlijk ook juist, maar geef toe, elk mens heeft toch wel een beetje haat en verderf in zich? Nou en ik vertegenwoordig dat alleen maar.”
“Ja en?” zei de Feniks. De Schrijver wilde iets zeggen tegen de Feniks maar hield zich in.
“Nou.” ging de duivel verder. “Dat betekent dat mensen heel veel van mij kunnen leren.”
“Ja en?”
“Tja, leren in die zin dat die neigingen bij de menselijke natuur horen.”
“Dus?”
“Dus? Nou dus, dat ze dat niet hoeven af te keuren in zichzelf, dat het ook goed is?”
“En dan?”
“En dan? Nou dat betekent dat de mensen zich ook kunnen overgeven aan die gedachten, dat ze het de ruimte moeten gunnen.”
“Nou en?”
“Nou en?!” de Duivel werd onrustig. “Nou en? Dat er dan niet zo moeilijk gedaan wordt over moord en verkrachting, en dat het normaal is dat je af en toe iemand neerschiet, of kwaadspreekt, of gewoon treiteren, is ook lekker. Dat moet kunnen. En ik zou graag zien dat de mensheid daar wat makkelijk over deed en al die eigenschappen niet zo taboe maakt.”
“Dus?”
“Wat nou dus! stomme kutvogel.” de duivel wees met zijn pink naar de Feniks die direct explodeerde. De Schrijver gaf een gil; hij kreeg een klap tegen zijn wang en sloeg achterover. Een wolk van neerdwarrelende veren omhulde de Duivel en de Schrijver.
“Wat heb je nou gedaan!” riep de Schrijver.
“ach.” mopperde de Duivel.
De resten van de Feniks vatte spontaan vlam. De resten brandde uit tot er niets anders dan een hoopje as overbleef. De Duivel blies het uit elkaar.
“Zo.” zei hij grinnikend. “Kan ie ook er niet meer uit herrijzen.”
“Je bent een klootzak!” de Schrijver stond op en wilde de Duivel aanvallen, maar kon zich ineens niet meer bewegen.
“Tuurlijk ben ik dat, ik ben tenslotte de Duivel. En waar maak je je druk om Schrijver? Je was toch niet zo gehecht aan die vogel. Of wel soms?”
“Dat is geen reden om hem te ontdoen van waar die voor staat! Uit de as herrijzen.”
“Ach hoe menselijk, tis maar goed dat ik geen mens ben.”
“Hallo! Je hebt zo even een eeuwenoud beest omgelegd, als de Dood dat hoort.”
“Hoe, wat ben ik nu bang…. Zal ik de Dood even roepen anders?”
De Schrijver was bang, hij voelde zich als een brugpieper die door een ouderejaars wordt gepest.
“Niemand is sterker dan de Dood.” zei de Schrijver.
“Hahaha!” de Duivel lachte en hield daarbij zijn hoofd achterover. “Hoe onnozel.” hij maakte een vreemd gebaar met zijn duim. En direct stond daar de Dood. Hij keek wat verschrikt op uit zijn nieuwe staten bijbel nieuwe vertaling. Zodra hij de Duivel zag keek hij verveeld en leek bereidt te zijn de plagerijen die over hem heen zouden komen te ondergaan, hij had immers toch geen keus.
“Heb je wel eens de Dood zien branden?” de Duivel was nog niet uitgesproken of de Schrijver hoorde een hol gegil. Het zwarte gewaad had vlam gevat en de Dood sprong in het rond en maakte rare gebaren om het vuur de doven. De Duivel lachte en stuurde de Dood weer weg.
“Ik heb macht over alles.”
“En hoe zit dat dan met liefde die sterker is? Of eh…”
“Prietpraat.” riep de Duivel. “Allemaal flauwekul. Wist je dat ik bijvoorbeeld God heb bedacht? Dat was een goeie zet van me, ik dacht als ik nu iets tegenovergestelds van mezelf bedenk wordt ik geloofwaardiger. Dan vreest men mij des te meer. Precies wat ik wil.”
De Schrijver wist niet goed te reageren. Hij kon maar aan één iemand denken die deze gevaarlijke gek aankon. Maar Draak was er niet.
“Kom kom Schrijvertje, ik had ook kunnen wegblijven en dan was je gewoon van de dorst omgekomen. Dus ik ben je verlosser van de woestijn hoor. Ik haal je hier zo weg.”
“Het enige wat je gaat doen is me meenemen, naar de hel of zo, en dan een of andere suf voorstel doen waar alleen jij beter van wordt.”
“Tja, zo gaat dat nu eenmaal.”
De woestijn maakte plaats voor een prachtig uitzicht op een lieflijk groen dal. Weelderige weilanden met appel en perenbomen die met feestelijke lentekleuren in bloei stonden, in de lucht zweefden van die pluisjes die door de laaghangende avondzon oplichtten als kleine zwevende elfjes die dromerige wervelden op de warme geurende namiddaglucht.
Vogels zongen helder hun lied en scheerden soms vlak langs het hoofd van de Schrijver, alsof ze hem een welkom juichten. Als je heel goed luisterde leek het wel of je overal harpmuziek kon horen, je werd er rustig en tevreden van, zorgeloos haast.
“Welkom in de Hel.” zei de Duivel.
“Duh?”
“Zeker.” de duivel in driedelig kostuum begon richting het dorpje te wandelen.
“Maar waar is het vagevuur dan?”
“Ach, dat is om af te schrikken.”
De Schrijver begreep er niets van en liep maar achter de Duivel aan.