B stond bij een waterval met de armen over elkaar. Hij keek nors naar het mooie schouwspel van waterdruppels en zonlicht. Hij voelde wel de waterdruppeltjes op zijn gezicht. En af en toe deden ze hem ontdooien, maar dan trok er weer een schaduw over zijn gezicht. Hij luisterde naar het geluid van het vallende water en deed zijn ogen dicht. Hij zag haar ogen fonkelen. En deed ze meteen weer open.
Draak stond in volle lengte achter hem.
“Mooi he, zo’n waterval.” zei hij ietwat onzeker. Draken zijn niet bang, maar van water worden ze toch iets voorzichtiger en bescheidener. Om dat enigszins te overwinnen had draak besloten af en toe bij een waterval te gaan staan om wat meer te wennen aan die gevoelens.
B haalde zijn schouders op. Draak trok zijn wenkbrauwen op.
“Ik ben best wel benieuwd hoor…” ging Draak verder. “hoe het zou zijn om te zwemmen. Maar ik weet niet of ik dan ontplof wegens te grote stoomontwikkeling.”
“Gewoon proberen toch.” zei B afwezig.
Draken weifelen nooit lang Draak ook niet, hij spreidde zijn vleugels steeg wat op en zweefde tot boven het water en liet zich gewoon vallen. Er klonk een vrij grote plons en gesis. B schrok uit z’n overpeinzingen.
“Draak! Zometeen ontplof je!” Hij zag een hoop gespartel in het water beneden zich. Stoomwolken stegen tot boven de waterval.
“Heee!” riep de Draak. “Dat is lekker!” hij sloeg met zijn vleugels in het water wat hoog opspatte. “Kom er ook in B! Misschien dat je dan weer kunt lachen en zo.”
B had al moeite met zijn lachen in te houden. Een badderende Draak was nou niet iets wat je elke dag zag. B bedacht zich niet, trok zijn kleren uit en sprong in het water. Het water voelde heerlijk. Het was al een beetje opgewarmd door de Draak.
Draak wist bedacht allemaal truukjes met water en stoom, hij hapte water en liet het dan tot het kookpunt komen in zijn mond. Als hij dan z’n lippen tuitte en z’n mond open deed spoot het water omhoog als een IJslandse geiser. B lachte hardop.
“Ah, hij lacht weer.” zei Draak en dook onderwater. B probeerde te kijken waar de Draak heenzwom. Hij voelde het water ineens warmer worden. En vlak voor hem heel langzaam, steeg de enorme kop van de Draak dampend uit het water. Eerst de stekels op zijn hoofd, daarna de wenkbrauwen en ineens twee grote vurige ogen die B recht aan keken.
“Wat zat je nou te nukken boven aan die waterval?” vroeg Draak dampend.
“Ik kan vast nu al niet wachten tot Zaterdag.”
“Zaterdag? Wat is er Zaterdag?”
B sloot zijn ogen en zag haar fonkelende ogen weer.
“Aah.” zei de Draak langzaam en trok een grijns van oor tot oor.
Daarna ging hij rechtop staan en spreidde zijn vleugels en liet zich achterover in het watervallen terwijl hij nog een geiser wegspoot.
En zo zwommen en duikelden ze tot het water te heet werd voor B. Hij kroop aan de kant en liet zich drogen door zon en lichte wind. Hij voelde af en toe de hele kleine stuifdruppeltjes van de waterval en luisterde naar het geplons van de Draak.
Daarna sloot hij glimlachend zijn ogen en…
januari 2005
januari 31, 2005
januari 28, 2005
B zat in kleermakerszit op een berg. Achter hem klonk het vertrouwde geruis van twee vleugels die zich na een imposante landing dichtvouwden. De Draak ging liggen met zijn snuit schuin achter B en werd stil zoal alleen draken stil kunnen worden.
Draken hebben geen tranen. Nattigheid is veel te gevaarlijk. Ze kennen geen verdriet zoals mensen dat kennen. Ze kennen alleen contemplatie waarbij ze roerloos in de verte staren. Stil en alert beschouwen ze hun innerlijke roerselen en heel soms schouwen ze de toekomst.
B probeerde dit ook. Het stil zitten lukte aardig, dat contemplatieve deel wat minder. Hij wreef zijn natte wangen droog uit schaamte voor de Draak. Draak bleef roerloos. B voelde zijn aandacht enmerkte dat Draak contact zocht zonder iets op te dringen.
Samen beschouwden ze innerlijke roerselen, bespiegelden ze gebeurtenissen. Minuten zaten ze zo totdat de draak bewoog.
“Ik denk B, dat het tijd is.”
B zweeg. Hij had geen idee wat Draak bedoelde.
“Tijd? Tijd waarvoor Draak?”
“Ik doe dit niet vaak, het mag op zich niet, en het is alleen voor draken weggelegd, maar ik wil een uitzondering maken.”
B draaide zich om en keek naar de ogen van de Draak.
“Waar heb je het toch over Draak?”
“Een schouw…”
“Schouw?”
“In de toekomst.”
B werd misselijk, een schouw in de toekomst, dat was natuurlijk veel te verleidelijk. En wat dan als het iets naars was, wat als de toekomst niet goed was. En de toekomst zien beïnvloedt de toekomst ook nog eens.
“Maar Draak de toekomst bestaat helemaal niet, de toekomst is nu.”
“Misschien.”
De moed zonk B in de schoenen. “Het idee van predestinatie bevalt me niet Draak. Wat als die Heilige Schrijver daarboven een klotescript voor me in petto heeft waar niet aan te ontkomen valt.
Draak glimlachte.
“Niets staat vast.”
“Als dat zo is, waarom zou ik het dan moeten zien? Bovendien ik kom er toch wel achter nietwaar?”
“Zeker.”
De manier waarop Draak dat laatste uitsprak maakte B nieuwsgierig.
“Is zo;n schouw in de toekomst eng?” vroeg B.
“Nee.”
“En waarom schouw jij soms in de toekomst?”
“Ik heb het soms niet eens door, een schouw in de toekomst lijkt sterk op een visie, een doel.”
B begreep het ineens.
“Je ziet je eigen intenties heel helder.”
Draak knikte.
“Goed dan.” zei B. “Wat moet ik doen?”
“Je hoeft alleen in mijn oog te kijken.”
B stond op en liep naar de kop van de draak ging zitten en schouwde in het oog van de Draak. Hij zag zichzelf.
“Blijven kijken.” zei de Draak.
Het leek of het gezicht van B iets verlicht werd terwijl hij keek.
Hij zag een glimp.
Zijn adem stokte.
“Dat kan niet!” riep hij verbaasd uit.
Draak knipperde met zijn oog als signaal dat de schouwing voorbij was. Draak ging weer staan en rekte zijn magistrale vleugels. B stond ook op. “Maar dat kan echt niet.” riep hij nog een keer en kon een glimlach niet onderdrukken.
De ogen van de Draak twinkelden.
januari 27, 2005
“Draak?”
“Ja?”
“Draak!”
“Ja!”
“Drahaak!”
“Jahaa!”
“Oh daar ben je… gelukkig ik dacht even…”
Draak trok een wenkbrauw op.
“Ik dacht even dat je weg was.”
“Ik weg? Nee, dat kan niet. Draak eenmaal ontwaakt, Draak nooit meer weg.”
Er golfde geruststelling door B.
“Oh.” zei hij schaapachtig en vroeg zich na de geruststelling af of het eigenlijk wel zo geruststellend was.
B besloot van wel. Hij keek naar de kop van de Draak. En de Draak keek terug.
“Geloof je me niet?” zei Draak en keek gevaarlijk.
B wist dat Draken er slecht tegen konden als ze niet geloofd worden, niet omdat ze zo graag geloofd willen worden, maar omdat ze het slecht trekken als iets onomstotelijks wordt ontkend, dat is minderwaardig.
“Jawel… jawel.” zei B haastig.
“Goed.” Draak klonk een tikkeltje uit z’n humeur.
“Je bent echt niet altijd onomstotelijk hoor Draak.” bitste B.
Draak snoof en wist wel beter.
B ook trouwens.
januari 23, 2005
Toen ik uit de bus stapte en naar huis liep was het er weer. Ik loop langs een stukje bos met water. De maan schijnt en heeft een enorme halo. En er is iets in de lucht. Het is helder en stil en het is net of ik de hele dampkring voel. Ik voel de enorme ruimte om me heen alsof er een immense aanwezigheid is. Het is een prettige ervaring. Alsof er stiekem toch meer is tussen hemel en aarde.
Ik moet denken aan dat ik vroeger eindeloos naar de wolken en de lucht kon kijken. En als ik nu naar de lucht kijk dan zie ik dat er niets veranderd is, en voel ik weer wat ik toen voelde. Alsof bij al dat dagelijkse gedoe, al dat geneuzel er vlak boven mijn hoofd een enorme hoeveelheid ruimte is die nog onveranderd is, gemoedelijk zijn of haar gangetje gaat en af toen knipoogt.
“he B.”
“He hemel, leuk je weer te zien.”
“Leuk he…”
“Ja, alles veranderd maar jij niet.”
“Fijn he?”
“Ja, en mag dat ook, ik bedoel verandering is de enige constante en je moet met je tijd meegaan, stilstand is achteruitgang eh… al die dingen…”
“Allemaal onzin hoor.”
“Toch wel he…”
“Tuurlijk.”
“Dag hemel.”
“Dag B.”
januari 22, 2005
Draak en B zaten op een berg en keken uit over een groot dal.
“Zeg B?”
“Ja.”
“Ben je nou verliefd?”
“Verliefd? Wat is verliefd! Dat is toch een soort ziekte… dat je hele hersenchemie op z’n kop staat en dat alles lente is, en dat je droomt over die ander, dat je droomt over hoe het is om bij elkaar te zijn. Dat je een hele toekomst ziet, maar bovenal dat je continue bij elkaar wilt zijn, en en… dat is behoorlijk erg, en het allerergste is dat je elkaar helemaal niet meer ziet zoals je werkelijk bent, ik kan me herinneren dat ik behoorlijk gek werd als iemand op mij verliefd was, ik bedoel het was even heel leuk. Maar dan kwam er zo’n moment dat wat ik ook deed alles goed was. of ik nou boe of bah zei, of kwaad of lief alles was mooi en geweldig. Walgelijk was dat. Ik had dan het idee dat die ander helemaal verzwolg in een fout beeld van mij. Dat die ander zichzelf helemaal niet meer was, maar het allerergste was de macht.”
“Macht?” De ogen van de Draak begonnen te twinkelen.
“Ja, macht, de macht over de ander, als iemand op die manier verliefd was op mij dan had ik een enorme macht over haar, haar hele hebben en houden was dan afhankelijk van mij. Wat ik deed. Ze wilde continue bij mij zijn, naast mij zitten, mij kussen, non stop. Als ik alleen wilde zijn voelde ik me schuldig, kortom ik kon geen kant meer op. Ik had het idee dat ik niet meer kon ademhalen, ik verloor mezelf compleet in het rekening houden met om de ander niet te kwetsen, ik werd op het scherp gesteld er kwam een soort gedachte politie, alsof al mijn gedachten alleen maar positief moesten zijn naar haar toe, want dat had ze immers ook naar mij.”
Draak blies een rookwolk uit.”Wat een arrogantie.” mompelde hij hoofdschuddend.
“Maar het was natuurlijk ook fijn, alleen toch, ik herinner me nog dat ik met een vriendin aan zee ging koffie drinken, en het enige wat ze deed was mij verliefd aankijken. We konden over niets zinnigs praten, ze wist niet eens wat ze moest zeggen. Een andere vriendin kon uren naar me luisteren maar niet naar wat ik zei, nee, naar mijn stem, die klonk zo leuk, en ik keek zo grappig. Het maakte dus helemaal niet uit wat ik zei, al had ik ter plekke fascistische leuzen verkondigd, het was haar waarschijnlijk niet eens opgevallen.”
Draak glimlachte, fronste toen zijn wenkbrauwen en zei:
“Maar ben je nu verliefd?”
B zuchtte en keek in die grote kop met vurige ogen. Draken liegen niet, en het was ook moeilijk om bij een draak ergens om heen te draaien. Soms leek het of die beesten gedachten konden lezen.
Draak knikte.
“Alles wat ik zou zeggen Draak, dat zou niet kloppen, als ik zou zeggen ik ben verliefd dan klopt het niet, want ik heb een andere definitie van verliefdheid, ik hang niet 10 km boven het aardoppervlak om sterren te tellen, ik verhef de ander niet tot een soort hemelse engel die ik adoreer. Ik zweef niet weg op een roze wolk. Ik ga niet zitten dagdromen en me voorstellen hoe het zou zijn, ik stel me geen leven voor met voor en tegenspoed tot de dood ons scheidt.
En als ik zeg dat ik niet verliefd ben dat klopt het ook niet. Want ik voel wel degelijk veel voor haar. Ik kan alleen maar zeggen dat tot nu toe als ik met haar omga dat het klopt. En dat ik me behoorlijk beroerd voel als ik eraan denk dat ik haar nooit meer zal zien.”
“Hou je van haar?” zei draak achteloos.
B werd heel stil. Als Draak nou iets niet had moeten vragen dat was het dat wel.
“Die woorden Draak daar kan ik alleen maar kwaad om worden. Zo vaak als ik die woorden gehoord heb en dat de rillingen me over de rug liepen. Oh ja, in het begon klonk het allemaal prachtig. Maar het zijn woorden waar je heel spaarzaam mee moet omgaan is het niet? Ze zijn voor je het weet betekenisloos en zo vaak wordt “ik hou van je ” gebruikt als vraag of die ander ook nog wel van jou houdt. Zo vaak worden die woorden misbruikt met bijbedoelingen. Als mensen houden van elkaar dan zie je dat, dat straalt van ze af, en als het dan gezegd wordt is het alleen maar een uiting van wat je al ziet en weet. Zoiets… gebeurt als een kus of een glimlach, recht uit het hart, vrij van angst en…”
B zweeg. Ze zwegen allebei een tijdje, en keken uit over de bergen. De zon hing al laag, in het dal floepten de straatlantaarns van dorpjes aan. Het leken net sterren.
“Je hebt het anders wel tegen haar gezegd.” zei Draak en keek naar de helling van een berg waar een late skieer op weg naar een paar glazen glühwein afdaalde.
“Ja, nee dat was metaforisch, in een beeldspraak, ik hou van haar zij niet van mij basta klaar over, we gaan met elkaar om en zien wel of dat lukt of niet.”
“Slip of the tongue?” draak glimlachte en trok een wenkbrauw op.
“hoor eens even draak, ik zeg niet zo snel dat ik vn iemand hou, alleen ze viel er over en ik kwam in het verweer omdat ik zelf wel bepaal wat ik voel en niet een ander.”
“uh-huh.” Draak keek loom voor zich uit.
“Ja Jezus, en als ik van haar zou houden dan zou dat alleen maar genant zijn nietwaar? zorgt alleen maar voor paniek walging en angst. Het zou mij wegjagen.
“Liefde jaagt niet weg, alleen angst.” mompelde de Draak en strekte zijn vleugels. “Kom spring op m’n rug, ik heb zin in Glühwein.”
En door de lucht suisden ze naar beneden, naar de sterren.