december 2005


Bananen helpen wel.

“Het blijft duister Zwijn.” B zijn hoofd tolde en was bang voor de dood.
“er zijn geen garanties B. Dat wist je al lang.”
“Misschien… maar blijft dit zo? Kan ik me niet eens een dag gewoon veilig voelen.”
Zwijn keek opgewekt om zich heen.
“De Dood B, daar kun je maar op twee manieren mee omgaan. Negeren of confronteren.”
“Hoe ga ik dan met de Dood om?”
“Je laat je continue intimideren door de Dood.”
“Ik kan de Dood niet accepteren Zwijn. Vroeger toen ik nog in vorige levens geloofde voelde het een stuk beter. Maar nu ik ouder ben, begrijp ik dat vorige levens niet bestaan.”
“DAt kun je niet bewijzen.”
“Nee Zwijn, dat kan ik niet net zo min als ik niet kan bewijzen dat er geen pimpelpaarse reuzenzwijnen op Pluto rondhuppelen.”
Zwijn zweeg.
B zuchtte.
“Oh Zwijn ik zou willen dat ik dat gewoon kon geloven, een mens kan van alles verzinnen wat niet te bewijzen is en er dan in geloven. Maar het is toch wel heel erg mager als er geen een bewijs is?”
Zwijn knikte.
“Wanneer zou je er wel in geloven B?”
“Als ik herinneringen heb, ik heb wel dromen, dromen over gebieden, steden waar ik kwam. En die dromen herinner ik me nog, tientallen dromen. Tientallen plekken waar ik kennelijk heel vaak over droomde. Althans ik heb geen idee, ik weet alleen nog dat ik al die dromen me kan herinneren, je kunt zeggen dat het herinneringen zijn aan plaatsen die nu niet bestaan… maar ja, het blijven dromen.”
“Waar zouden herinneringen uit vorige levens zich anders moeten bevinden dan in dromen?”
B keek mistig, dat was een ingewikkelde vraag.
“Nou, omdat mijn huidig herinnering zich ook niet in mijn dromen bevinden.”
“Dat begrijp ik, maar herinneringen uit een vorig leven heb je niet met dit lichaam meegemaakt en niet met deze hersens opgeslagen. Dus eventuele herinneringen hoef je ook niet te verwachten naast je gewone herinneringen.”
“Waarom zouden dromen dan wel naar de juiste “opslagplaats” verwijzen?”
Het Zwijn haalde zijn schouders op.
“Geen idee, leek me gewoon de een logische plek voor herinneringen aan een vorig leven, niet dat alle dromen op een vorig leven slaan, maar het lijkt me best mogelijk dat ze er tussen zitten, en als je terugkerende dromen hebt over plaatsen landschappen, plekken… tja, wellicht is dat dan uit een vorig leven.”
B dacht na. “Het zou kunnen Zwijn, al zijn de dromen niet echt prettig. Ook niet onprettig, maar ze hebben een bepaalde kleur, en die is niet fijn.”
“Wat denk je B, zijn ze fijner dan dit leven of minder fijn?”
B keek naar boven, naar de blauwe lucht.
“Hmm, misschien weet ik dat pas in een volgend leven, als ik me dit leven via dromen vaag kan herinneren.”
“Kun je echt zo moeilijk leven met het idee dat het afgelopen is over 50 jaar?”
“Ik vind dat in feite onverdraagelijk. Ik snap niet dat de mens met zo’n juk moet leven. Ik snap ook niet dat niet iedereen er knettergek van wordt.”
“Precies.” zei het Zwijn.
“Wat precies.”
“Door veel te denken waar je het meest bang voor bent leef je niet meer. In feite ben je al dood, dat maakt het minder eng. Hoe erger je leven, hoe minder erg het is om dood te gaan. Ga maar geen of moeilijke relaties aan, hoe minder erg het is om ze kwijt te raken.”
“Onzin Zwijn. Het kwijtraken is nog wel te doen, maar iets nieuws vinden. Dat gaat zo tergend langzaam.”
“En daarom is het kwijtraken dubbel zo erg. Dus het is wel erg om iets kwijt te raken als je denkt dat je er nauwelijks iets nieuws na kunt vinden.”
“Eh… ja…” B keek fronsend. “Nee, wacht nou even. Wat ik kwijt ben… wat ik kwijt ben is alles wat ik zou willen in dit leven.”
“Hoe weet je dat nou? Je denkt aan die ene liefde, de eerste keer dat je dacht dat je werkelijk liefhad.”
“Ja, is dat een schande geloof je het niet?”
“Nee, dat is geen schande. En ik geloof je wel. Het is alleen zo definitief. Er is geen speld tussen te krijgen.Het is onwrikbaar.”
“Zo voelt het ook. Onwrikbaar, ik hou van haar en daarmee basta. En ze wil me niet. Daarmee basta, maar ik kan nooit meer zoveel houden van iemand als van haar.”
“Nou en? Dan doe je het maar met minder. Zo leuk en veilig was het nou allemaal ook weer niet.”
B moest lachen.
Zwijn keek parmantig en kwispelde.
“Hmm… hebben we nu een zwaar gesprek? zei B.”of een zinloos gesprek?
“We hebben in iedergeval een gesprek.” zei Zwijn.

B staarde voor zich uit.”wat zou de volgende opdracht zijn denk je?”