B liep en riep:
‘Hallo! Iemand hier?’
B tuurde in het niets, en luisterde naar een antwoord.
‘Nee!’ riep een onbekende stem dichterbij dan B vermoedde.
‘Wie is daar?’ riep B maar weer.
‘Niemand.’ klonk nu een stem vlak achter hem. B draaide zich om en zag een mannetje met een flinke zwarte bril staan, hij had een onbetekenend uiterlijk en keek wat koddig.
“Wie bent u?” vroeg B.
“Ik ben niets.” antwoordde het mannetje.
B dacht na. “Zegt u dat nu omdat u een minderwaardigheids complex heeft?”
“Als ik een minderwaardigheidscomplex zou dat nog tenminste iets zijn, maar ik ben niets.”
B keek het mannetje langdurig in de ogen aan.
“Weet u…” begon B langzaam. “Ik word nu al moe van u.”
“U wordt van niets moe?”
B draaide zijn ogen omhoog en wilde verder lopen, maar ja, er was niet zo veel om naar toe te lopen. Er was eigenlijk niets om naar toe te lopen. Behalve dan dat rare mannetje was zichzelf niets vond.
“Weet u, raar mannetje, als u toch niets voorstelt, zou ik me daar dan ook maar naar gedragen, tenslotte zegt u wel iets, en niet niets want dan zou u geen geluid maken, ik zou u ook niet eens kunnen zien.”
“Hoe komt u er bij dat u mij kunt zien?”
“Nou ik zie u toch?”
“Maar ben ik dat wel, ik zei immers dat ik niets ben, dus als u toch iets ziet en hoort hallucineert u misschien wel.”
“Daar zit wat in, meneertje Niets, al zou ik niet weten welke hallucinatie van mij er voordeel bij zou hebben om zichzelf te ontkennen, door te beweren dat ik hallucineer.”
“Dat zou een intelligentie Hallucinatie zijn nietwaar?”
“Ja, en zeker niet niets.”
“Daar zou je nog een discussie over kunnen beginnen”
“Een discussie over niets?”
Het mannetje keek verrast naar B. “Hm ja daar zegt u wat…”
“Precies, ik zeg wel wat, maar u zegt niets.”
“Ik kan ook poep zeggen.” zei het mannetje.
B haalde diep adem, het laatste wat hij achter de poort van Niets verwachtte was een onbeduidende gek. Een dwaas. Een mislukte woordgoochelaar.
“Luister nou eens, ik kwam hier in het niets, om het niets te vinden…”
“Nou proficiat! U heeft me gevonden.” zei het mannetje en maakte een beleefde buiging. “Kan ik verder nog niets voor u doen?”
“Waarschijnlijk als ik u goed begrepen heb doet u al niets.”
Het mannetje trok zijn wenkbrauwen op. Hij leek te gaan zitten, maar er was niets om op te zitten. Toch ging het mannetje ergens op zitten. Het zag er minstens zo koddig uit als het mannetje zelf.
“U bent op zoek naar het niets, en nu heeft u het gevonden, mag ik u vragen waarom u niets zocht?”
“Nou beste meneer Nietsnut. Ik hoopte eigenlijk mezelf te vinden,althans, mijn ware zelf, zonder al die vreemde moeilijke traumatische verstoorde cognities, waardoor ik blijf hangen in een soort labyrint met eh… nou ja, waardoor ik steeds maar cirkeltjes blijf draaien. Ik zoek gewoon, ik wil een transformatie. En ik had begrepen dat je daarvoor een soort innerlijke leegte moest betreden, een soort niets.”
“veel woorden voor niets.” zei het mannetje.
“Oh nou sorry hoor.”
“Geeft niets.”
“Nee dat dacht ik al.”
Het mannetje keek even naar beneden, waarschijnlijk zag hij eh… niets.
“Weet u… ik begrijp best dat u spirituele verdieping zoekt in het niets. Dat is heel gewoon, u bent niet de eerste. Toch treft u mij aan terwijl u in feite hier niets zou moeten treffen.”
“Zelfs mezelf niet?”
“Daar begint het probleem inderdaad al. U bent nu in het niets, en toch bent u er, dus er is hier al niet niets meer.”
“Nou u bent er toch?”
“Maar dat is omdat u er bent.” zei het mannetje.
“U bedoelt als ik hier niet ben, dan bent u er ook niet?”
“Inderdaad, in feite is hier niets.”
“Dus door mijn aanwezigheid hier, is er wel iets, en om dat te compenseren verschijnt u, meneer Niets?”
“Zoiets…”
“Maar…wel verdomme nog an toe, ik ben dit helemaal zat.” B liep kwaad weg, richting poort. Hij sloeg hem open. En stond weer in het bos, heerlijke geuren drongen zijn neus binnen.
Draak stond daar.
“Ha B.”
“Ha Draak.”
“Hoe was het achter de poort?”
“Helemaal niets.”
“Zoiets dacht ik al.”
Ze liepen weg, en iets ritselde er achter een boom.

‘Ik ben in de maling genomen, Draak.”
“Misschien waren je verwachtingen te hoog?”
“Tja, hoe haal ik het in mijn hoofd om verwachtingen te hebben van niets.”
“Maar waarom ben je boos.”
“Er was wel iets…”
“Oh?”
“Er was een mannetje, een mannetje van niets, het was daar zei het, om mijn aanwezigheid te compenseren, omdat als ik daar was, dan was… Wel verdorie!”
B stond stil.
Ik was toch door de poort van de stilte gegaan? Hoe kom ik er nu bij dat het de poort van Niets was?
Draak trok zijn wenkbrauwen op.
“Misschien de leeftijd?”
“Niks leeftijd, iemand heeft me er in geluisd.”
B rende terug, en ging door de poort.