april 2006


Het rare en vervelende van niet begrepen worden is de overtuiging dat wat ik beweer wel klopt, maar het op de een of andere manier niet duidelijk krijg. De ander kijkt me wezenloos aan alsof ik een zeldzaam fins dialect spreek.
Er zijn dan maar twee dingen mogelijk. Of ik zit er helemaal naast of die ander is eenvoudigweg dommer dan ik.
Ben ik dan dom of die ander, of ben ik dom dat ik het probeer uit te leggen terwijl ik weet dat die ander het niet begrijp. Of ben ik dom dat het niet in begrijpelijke taal kan omzetten. En is een inzicht misschien ook niet waar als je het niet in begrijpelijke taal kunt omzetten.

Gaat het wel om inzicht? Ik denk vaak niet in woorden, ook niet direct in beelden, ik denk meer conceptueel visueel, visueel in dat opzicht dat ik grote gehelen in een keer overzie. Daarna moet ik er dan de woorden bij bedenken om het te communiceren. En dat gaat me minder goed af. Resultaat, is warrigheid?

Probeer maar eens een rembrandt te verwoorden. De woorden die je dan gebruikt zijn vnl persoonlijke visies. Ondanks dat de Rembrandt echt is.

Als je een rembrandt objectief zou moeten omschrijven… dan wordt het een lang verhaal.

De vraag is natuurlijk, zijn die gehelen wel juist? Wat zijn dat eigenlijk voor gehelen? En hoe kan het dat ik dat woordloos heb? Denken gaat toch altijd met woorden?

Ik denk dat we inderdaad leren denken door woorden, maar ik denk ook dat je zonder woorden kunt denken. Het gaat in iedergeval veel sneller. Probeer maar eens als je denkt de zin in gedachten niet af te maken. Je weet tenslotte toch al wat je gaat denken. Dus kun je veel sneller denken… Of geeft het in zinnen denken weer de mogelijkheid om te associeren? Wat kan leiden tot het komen op nieuwe ideeën…

Geen idee, wat ik wel weet is dat mijn brein op een tempo werkt wat ik vaak niet om me heen zie. En zodra ik begin te communiceren met een ander is het alsof ik moet vertragen, en met dat vertragen begint mijn denken te struikelen over zichzelf, flarden verwoord ik, en op die flarden wordt gereageerd, maar niet op het hele plaatje wat ik in mijn hoofd heb, en als ik dat hele plaatje wil uitleggen, dan… tja, dan duurt dat veel te lang. En dus, raak ik gefrustreerd. En ga over op soundbites, of een slecht humeur.

Ik ervaar om me heen helemaal geen rust om zinnen af te maken. Wie maakt zijn zinnen tegenwoordig nog af? Meestal als we weten waar een zin heen gaat…

U begrijpt wel wat ik bedoel…

Nee ik begrijp er helemaal niets van, maak die zin eens af, en neem dan even de tijd ‘m te laten uitklinken. Denk eens na over hoe je iets formuleert? Formuleer gewoon goeie constructieve duidelijke zinnen. Lardeer het voor mijn part met een beetje poetisme.

He gadver… dat klinkt ook weer zo klote.

Blijft over de taal van de emotie. Die taal spreekt immers altijd de waarheid. Spreek je gevoel uit, en je spreekt de waarheid.
Ik ben verdrietig, ik ben opgewekt…allemaal waarheden als een koe.

Maar nou en? So what?

Nee, dat universum in mijn hoofd, kan ik dat ooit in woorden omzetten? Hou toch op, waarom wil ik daar uberhaupt aan beginnen. Ik ben gewoon blij dat er zoveel ruimte in mijn hersens zitten.
Zou het niet een veel beter idee zijn om gewoon niets meer uit te leggen aan niemand meer. Nooit meer. Laat maar zitten, ik teken het wel, ik zing het wel, ik dans het voor mijn part, ik spreek wel met mijn vuisten van tijd tot tijd, of ik laat gewoon mijn tanden zien. Ik grom als een tijger als iets me niet bevalt. Ik strijk door haren als ik tedere gevoelens heb? Wat? Teder?

Buiten regent het, ik vind dat een heerlijk geluid, het klinkt zo levend.
Ik ga lekker in mijn bed liggen luisteren.

Elf en B zaten aan de oever van een meer. B voelde de warmte van de zon, niet heet niet koud.
Vlinders dwarrelden van bloem tot bloem in groen gras zacht gras wat zachtjes boog onder lichte wind.
“Er zijn twee ware liefdes.” zei Elf.
“Twee? Hoezo twee, ik vind één al zo lastig.” B keek chagrijnig, hij had slecht geslapen.
Elf keek naar B. “Twee ware liefdes, de ene is als jijzelf; hoe je nu bent. Een soort archetypische tweeling.”
B gooide een steentje in het water en keek naar de groter wordende kringen.
De ander beschikt over aspecten die jij wil ontwikkelen, bewust of onbewust.”
B dacht na.
“En als ik dan iemand ontmoet die beide heeft?”
Elf glimlachte zacht en raakte vluchtig met haar wijsvinger B’s wang aan.
“Er zijn er vast meer die beide hebben.” zei ze ondeugend.
B keek weer chagrijnig. Dat wilde hij nou net niet horen.

Het woud glinsterde zilver in het maanlicht. B en de Elf zaten bij een zacht ruisende beek. B had zijn voeten in het water. De elf zat gehurkt en luisterde naar B.
“Ik snap niet Elf, de liefde, ik geloof in soulmates, en liefde op het eerste gezicht, ik geloof in de ware, maar niets in mijn leven wijst er op dat er zoiets bestaat! Waarom geloof ik in iets wat niet bestaat? Romantiseer ik het ? Hollywoodiseer ik het? Waarom worden er dan films over gemaakt? Ik bedoel zowel in fictie als in non fictie, iedereen bezingt de ware liefde. Zelfs Tolkien.”
De ogen van de Elf glinsterden even.
“Zelfs Tolkien, nou ja, niet zelfs, gewoon Tolkien had zijn Edith Mary. Ze danste voor hem, en ze bleven bij elkaar. En zouden ze nou 30 jaar later nog steeds zoveel van elkaar houden als in het begin? Er zijn mensen die hun hele leven verliefd op elkaar blijven.”
B praatte als water zo snel, hij werd er niet eens moe van. Het tintelende water aan zijn voeten tinkelden zijn hersenen.
“En ook al zie ik om me heen een en al rampspoed als het gaat om relaties? Een vriend van mij komt nooit meer langs omdat zijn vrouw dat niet leuk vindt. Zelf heeft ze geen vriendinnen. Zo benauwend. Ze maken best veel ruzie, en ze zijn bij elkaar omdat ze een historie samen hebben en kinderen. En kennissen van kennissen, vertellen me allemaal; het is onderhandelen, er zijn zware tijden, je moest eens weten, ik zou willen dat ik weer vrijgezel was. Je hebt geen vrijheid meer. Ja natuurlijk kennen we momenten van geluk. Maar je moest eens weten wat voor rotbuien hij kan hebben. Je moest eens weten hoe frigide zij kan zijn. Je moest eens weten dat hij geen voorspel meer doet…”
B zweeg even en ging meteen weer verder:
“En dan zijn dat nog maar de kleine problemen.”
De elf giechelde even.
“Kortom als je dat allemaal hoort dan… maar er zijn uitzonderingen, er zijn ook relaties waarin men elkaar leuk blijft vinden, waarin je dat ook duidelijk ziet. Waarin de verliefdheid blijft. Ja natuurlijk zijn het uitzonderingen. Maar misschien zijn het meer dan uitzonderingen. Misschien zijn het voorbeelden. Misschien moet ik eens mensen gaan opzoeken met werkelijk goede relaties, die gelukkig met elkaar zijn. Al dat realisme wat maar dicteert dat ongelukkig zijn bij het leven hoort. Natuurlijk kunnen er rotdingen gebeuren. Maar dan denk ik aan rampspoed, ziekte en externe ellende. Maar dingen zoals bindingsangst, en verlatingsangst. En weet ik veel wat voor rotzooi nog allemaal meer.
Dat zijn toch eigenlijk puberdingen? Dat is toch als je wat ouder bent helemaal niet meer nodig? Er zijn mensen die daar geen last van hebben, waarbij al die psychologische shit niet in de weg zit. Of mensen die zich daaraan ontworstelt hebben. Kunnen we daar niet gewoon van leren?”
B hield ineens op, het kabbelen van de beek nam het zonder moeite over van het babbelen van B.
B en de Elf glimlachte allebei. De elf gaf een kus op de neus van B. B glimlachte. Hij steunde op zijn armen en leunde een beetje achterover en keek naar de maan. De Elf keek met hem mee.
Het was alsof de stilte van de Elf zich vermengde met de stilte tussen de gedachtes van B in. Hij sloot zijn ogen en gaf zich over. Hij voelde zich alsof de ruimte tussen zijn atomen zich wervelend vermengde met de leegtes tussen de atomen van de Elf.
En het gaf allemaal grappige glinsters.

*Ik heb je gemist Elf.* wervelden de Leegtes van B tussen de Leegtes van de Elf.

Het antwoord was verrassend. B tintelde door zijn hele lichaam, alles leek te glinsteren en te kietelen. Hij kon niet anders dan glimlachen. Het was alsof hij en de Elf een werden.
Een explosie van serene extase.

En daarna waren er weer twee.

B keek naar de elf, hij fronste in verbazing zijn wenkbrauwen. Hij merkte dat zijn mond open stond. De ogen van de elf keken naar B.

“Zoiets?” zei de Elf lachend. B had de mond nog steeds open van verbazing.
Hij haalde zijn voeten uit het water en sloeg zijn armen om zijn opgetrokken benen. Leunend met zijn hoofd op de knieën, verzonk hij in een gepeins.
De elf boog naar voren en legde haar hand op zijn schouder. Ze fluisterde in zijn oor:

“Ergens dansend op de wind
als een zonverlicht pluisje
dwalend op een zomerbries
boven een goudovergoten
bospad,

strijk ik neer en voel
ik een fluisterende glimlach

als een woudelf streel ik
de natuur en zinder ik
liefde met vuur,
en dan,
glinsterend en speels

raak ik in evenwicht,

Er leek een last van B zijn schouders te vallen, hij wist zelf niet precies hoe of wat. Hij voelde de warmte van haar hand op zijn schouder. De warmte leek door zijn hele lichaam te gaan.
B sloot zijn ogen, en luisterde naar het kabbelen van de beek.

B rende de stilte in. En keek, en zag geen raar mannetje. Hij stond in een bos. Een mooi bos, zonnestralen door de bomen. Er zweefden lichtgevende insecten rond die zacht twinkelende geluidjes gaven. B werd direct rustig. En tevens een weemoedigheid die hij niet verwachtte. Hij liep verder en voelde pijn in zijn hart. Geen fysieke pijn, maar pijn van gemis.

“Je hart is bezwaard.” klonk een vriendelijk stem.
B draaide zich om en keek in het gezicht van een Elf. B wist geen woord uit te brengen. Hij keek in zo’n vriendelijk gezicht. Een gezicht wat alles leek te begrijpen, te doorgronden, het zelf allemaal al had meegemaakt.
En het was een vrouwelijke Elf, dat scheelde natuurlijk ook.
B zuchtte.
“Ik heb… ik heb…” stamelde B.
De Elf knikte. “Ik weet het.”
B keek naar beneden.
“Heb ik daar goed aan gedaan? Ik heb alles gedaan wat ik kon dacht ik, maar ik ben zo boos dat ze niet, dat ze niet…”
De ogen van de elf hadden hetzelfde effect op B als de melkweg s’nachts in de woestijn. Zo helder en zo intelligent zo vol leven.
“Ik raak iedereen kwijt Elf. Ik weet niet hoe ik… niemand houdt van me lijkt het wel. Ik word steeds afgewezen, wat doe ik fout? Waarom wat en…”
De elf bracht haar handen naar B zijn hoofd en hield het zachtjes vast. En met de duimen streek ze de tranen weg. Ze gaf hem een kus op zijn voorhoofd en drukte B tegen zich aan.
“Ik wil niet meer verdrietig zijn Elf, ik wil niet meer zo op deze manier….”
De elf streelde door zijn haar. B kon de tranen niet meer tegenhouden. Hij liet zich gaan. Een waterval, een Niagara, een Niagara en een Victoria.
B huilde.
En zo stonden ze daar op die plek in het bos, zonovergoten, met milde geuren, en zachte twinkelende geluiden.