De zon hing laag en er had zich een mistlaag vlakboven het meer gevormd. Twee silhouetten stonden op de brug; die van de Meester en van het jongetje. Hun oranje gewaden bewogen een beetje door de avondwind.
“Er zijn 3 soorten liefdes.” zei de Meester. Het Jongetje keek omhoog naar de Meester. “De eerste categorie is explosief, kort en passievol, meestal verliest men tijdelijk het verstand.” De meester zweeg. “En de meesten vinden dat wel prettig ook.” Het jongetje keek naar de zon en hoorde de Meester kuchen.
“De tweede categorie is die van de geleidelijkheid. Twee mensen leren elkaar kennen en langzaam wennen ze aan elkaar en na verloop van tijd besluiten ze om samen door het leven te gaan, het kan uitmonden in een soort sterke vriendschap waarbij het lichamelijke wat op de achtergrond kan komen te staan. Of in een soort compromis; wat uitmond in gewenning, en elkaar tolereren.”
De Meester zweeg. Het jongetje zei niets en keek naar het water. De Meester zweeg nog steeds, en het jongetje werd langzaam nieuwsgierig. En begon wat te wiebelen. De Meester haalde diep adem.
“De derde categorie is een liefde die… niet zo makkelijk in woorden is uit te drukken. Het wordt vooral gekenmerkt door een zeer sterk gevoel van zekerheid. Beide hebben geen spoor van twijfel over hun liefde voor elkaar, direct vanaf het eerste moment. Deze mensen zijn niet eens verbaast, het is gewoon zo, ze zijn wel verwonderd en als je ze spreekt is hun antwoord altijd:
‘alles klopt, alsof het altijd al zo was.’ Deze liefde van het derde soort is onberispelijk en kreukvrij en voor beide geliefden net zo logisch en voor de handliggend als de opkomende zon.” De meester zweeg. Het jongetje had goed geluisterd, maar ervoer een groeiend gevoel van onrust bij de uitleg van de derde soort.
“Als de derde soort werkelijk zo onberispelijk is, dan moet er nog een soort liefde zijn.” zei het Jongetje snel, terwijl hij ergens het idee had dat hij zich op glad ijs bevond.”
De Meester zweeg als het graf.
“U heeft altijd gezegd dat wat je liefhebt zelf bent.”
“Dat klopt.” zei de Meester zacht.
“Dat zou betekenen dat als de derde soort liefde van een kant zou komen…”
“De derde soort is altijd wederzijds.” zei de Meester snel.
Het jongetje zweeg even, omdat hij schrok van de klank in de Meester’s stem.
“Dan is er een vierde soort liefde, namelijk een derde soort die niet wordt beantwoord.”
De Meester zijn ogen leken het verleden in te staren hij leek niet meer te bewegen.
“Die liefde zou veel kunst inspireren. Die liefde zou gevaarlijk zijn. Die liefde zou je kunnen beschadigen voor de rest van je leven, hoe zou je van de derde soort terug naar de tweede kunnen gaan? Zou je twee keer in je leven de derde soort kunnen meemaken?” de opmerkingen klonken als een waterval in de oren van de Meester. Een waterval langzaam stromend, en nooit meer stoppend. Zijn ogen werden mild en glansden de zon terug. Hij gebaarde het jongetje tot zwijgen.
“De meesten mensen bevinden zich in de tweede soort. Maar de tweede categorie kan overgaan in de derde.
Het jongetje knikte een beetje overdreven.
“leeft ze nog?” vroeg het jongetje ineens. De vraag kwam als een pijl in het hart aan bij de Meester aan. Hij beefde van binnen, van buiten zag je niets, althans voor een leek. Het jongetje boog zijn hoofd voor zijn onbeschaamde vraag.
“Het spijt me meester het flapte er zo uit.”
“Het is goed.” zei de Meester.
Ze zwegen een tijd.
“Ja.” zei de Meester en raakte vluchtig zijn hart aan.