De mist was duidelijk lichter. Alsof de zon elk moment kon doorbreken. B was al allemaal plannen aan het maken voor als de mist was opgetrokken. Naast hem op de rots klonk een diepe bekende dreun.

“Daar ben je.” zei een bekende grommende stem.

“Draak!” Eindelijk zeg, ik zit hier al uren in de mist. Ik heb er schoon genoeg van. Ik wil dat de mist stopt.”

“Maar de mist stopt niet?” zei Draak.

“Nee de mist stopt niet.” B haalde opgelucht adem, met Draak erbij voelde het anders. “Ik bedoel ooit zal de mist wel stoppen…”

“Waar  wacht je dan op?”

“Nou dat de mist weg is natuurlijk.”

“Lijkt je dat een leuk gezicht?”

“Ja jeetje, nou dat is niet de reden waarom ik er op wacht!”

“Wat is dan de reden dat je wacht tot de mist stopt.”

“Dat is toch logisch? Het is veel te gevaarlijk om door de mist te lopen.”

“Hoe weet je dat?”

“Omdat hier ravijnen zijn, en met die dichte mist weet ik niet welke kant ik op moet.”

“Ah, op die manier.”

“Jij doet expres dom.” zei B boos. “Als ik ga lopen in deze mist en ik raak gewond, ja dan weet ik inderdaad pas zeker dat het gevaarlijk is.”

“Je kunt toch ook héél voorzichtig gaan lopen?” opperde Draak.

“Ja dat zou kunnen maar dan kan ik altijd nog verdwalen.”

“En als de mist nog een week blijft.”

“Dan… dan…” B werd nu chagrijnig. “Ok ok, ik ga al. Ik ga al lopen, voor je begint over dat de richting simpel is.”

“Die is ook simpel, of je gaat naar boven of naar beneden.”

B had er genoeg van en begon heel voorzichtig te lopen. Steentjes gleden onder zijn voeten het pad af. Ze kaatsten de mist in.