You are currently browsing the monthly archive for juni 2008.
Draak stond voor B, zijn vleugels gespreid. Rook kwam uit zijn neus, ogen vlammend rood. B keek en was zoals altijd onder de indruk van de kracht en de uitstraling van Draak. Draak stampte met een voet op de grond. De dreun klonk diep door. Dieren in het bos sidderden. Vogels vlogen weg. Draak stampte met zijn andere poot op de grond. Rechts viel langzaam met krakend geweld een oude eik om. De boom sleurde in zijn val nog een paar jonge beuken mee.
Draak sprong en kwam nu met twee poten op de grond. Het bos kwam nu lichtelijk in opstand. De dieren planten en bomen waren het zat. Het was tenslotte twee uur snachts.
Draak klapte zijn vleugels in en weer uit, hield zijn kop omhoog blies een geelblauwe bal vuur om hoog. Daarna werd het stil.
B klapte in zijn handen.
“Zo ongeveer ging het.” zei Draak. “Maar het is alweer lang geleden, dat mijn grootmoeder het voordeed.”
“Ja ik heb ooit volksdansen gehad.” zei B. “Toen ik op school zat. Maar ik was niet echt gemotiveerd. Het was ook wel erg sloom. En dan die muziek.”
Draak knikte beamend. “Ja, en ik kan ook vrijwel geen dans doen zonder de omgeving af te branden.”
“Ja ja, we zijn een stel pechvogels.” B keek naar Draak die even droog terugkeek.
De top van de berg bevond zich in de wolken. Op die top lag een grote steen. Daarop zat Lao Tzoen in kleermakerszit. Zijn ogen gesloten en zijn mond in een flauwe glimlach.
Een reiziger in witte kleding kwam uitgeput aan, eerst zag hij alleen in de mist wat schaduwen. Eenmaal dichterbij zag de reiziger Lao Tzoen.
“Oh Lao Tzoen.”
Lao deed zijn ogen open en knikte met zijn hoofd.
“Wijze Lao, ik heb een brandende vraag. Een vrouw die ik ken verlangt naar Eindeloze Liefde. Dat is hoe ze het zegt, kan ik haar dat geven… en zo niet hoe kan ze het vinden?”
Lao trok een wenkbrauw op. “Als liefde geen einde heeft…” Lao zweeg en het werd stil… heel stil.
De reiziger wachtte vol smart op het antwoord.
“Als liefde geen einde heeft, heeft het ook geen begin.”
“Maar…”
“Dus eindeloze liefde moet er al zijn.”
“Ik…”
“Dus, kun jij het haar niet geven, zij kan het niet vinden, noch kan ze er naar verlangen, want iets zonder begin en einde, zoiets is er al lang, was er al eeuwig en zal er ook eeuwig zijn.”
De reiziger was van slag en stotterde. “Maar maar, wijze Lao, waarom verlangt ze er dan naar. als het er al is?”
“Wie verlangt er naar de lucht, wie verlangt er naar een ademhaling? Wie verlangt er naar het kloppen van zijn Hart?”
“Nou ja, niemand?”
“Omdat je weet wat het is.” zei Lao snel.
“Ze weet wat het is?” zei de reiziger lichtelijk teleurgesteld.
“Ze heeft niet herkend wat er altijd al was.”
“Hoe kan ze het dan herkennen?” zei de man wanhopig.
Lao stond op. “Het is te hopen.” zei hij haastig. “Dat het haar herkend.” hij sprong behendig van de grote steen en verdween in de mist. De reiziger stond er verslagen bij. Moe van zijn lange tocht. Moest hij haar dit vertellen? Wat kon hij ermee… hij had liefde in haar herkend… toegegeven, geen eindeloze liefde. Maar ze had een sprankelende geest. En… De reiziger ging op een kleine steen naast de grote steen zitten waar Lao had gezeten. Hij slaakte een vermoeide zucht. Hij sloot zijn ogen en mediteerde. Minuten verstreken, uren…
“Zo ben je daar nog steeds?” zei Lao die ineens weer op zijn steen zat. De reiziger schrok op uit zijn meditatie.
“Ja oh wijze Lao, ik was moe en wilde wat rusten. En uw woorden overdenken.”
“Wat heb ik gezegd dan?” zei Lao en beet in een appeltje.
“U ehm, zei toch dat u hoopte dat de vrouw waarvoor ik kwam zou worden herkend door de eindeloze liefde die ze graag wil.”
“Heb ik dat gezegd?” zei Lao onder de indruk.
“Weet u dat niet meer?” zei de Reiziger.
“Ach, ik zeg zo veel.” Lao nam nog een hap.
De reiziger stond weer op, lichtelijke geirriteerd.
“Hou je van haar?” vroeg Lao Tzoen.
“De reiziger draaide zich om. En liep op Lao af.
“Ja, met alles wat ik heb. Ik hou van haar, maar ze wil me niet, en dat is haar goed recht. Alleen lijkt het erop of ze gewoon bang is voor intimiteit. Het lijkt alsof het niets met mij persoonlijk te maken heeft. Ze wil zelf die eindeloze liefde voelen.”
“Maar jij houdt van haar.” zei Lao.
De reiziger knikte. “Ja oh wijze Lao Tzoen.”
Lao knikte goedkeurend.
“Dan is daar in iedergeval niets mis mee.” zei Lao en nam een laatste hap.
De reiziger raakte ontroerd en zweeg terwijl Lao het klokhuis ver weg gooide.
“Maar ik voel het ook bij haar, oh wijze Lao, ik voel dat het ook bij haar is, zelfs voor mij. Ik kan het voelen.”
“Niet alles is even duidelijk Reiziger. Niet alles is altijd even duidelijk. Leer te leven met onduidelijkheden van anderen. Ontdek of het goed is om zelf duidelijk te zijn of niet.”
“Dat weet ik.”
“Je kunt haar hart niet veroveren als ze het niet ziet. Ze kan geen liefde geven als ze niet weet wat het is. Het zal altijd een flauwe afgeleide zijn van wat ze denkt dat het is. Een gedrocht, een kopie, een verlangen. LIefde is heus anders dan de meesten denken, het is geen passie of zware emotie, het is flinterdun, fluisterend merkbaar, sprankelend, helend, het geeft ruimte en lucht, en bovendien… je krijgt er altijd een goed humeur van.”
“Heeft u een liefde Lao?”
“Een? Laat dat “een” maar weg.” Lao knikte met een lichte glimlach toe en sloot langzaam zijn ogen.
De reiziger glimlachte bedroefd en begon langzaam aan de afdaling. Zijn humeur werd bij elke stap een beetje beter.
“Dit is het dus Draak. Waar ik zo bang voor was.” B ijsbeerde door zijn huis met de balkondeuren open. Draak keek van buiten naar binnen. Naar de rusteloze bewegingen van B. “Ik weet dat ik moet ontspannen in dit ongemak, dat ik al die gevoelens gedachtes de ruimte moet geven.” hij stond even stil keek naar Draak en ijsbeerde weer verder. “Maar ze nemen zoveel ruimte in!” riep hij vrij hard.
Draak zwiepte even met zijn staart. “Het hier en nu is niet slecht zeker niet. Prima huis, prima weer, prima gezondheid.” B keek wanhopig. Hij kon alle kanten op, maar hij voelde zich alsof alle kanten hetzelfde opleverden. Leegte, eenzaamheid.
Draak keek alleen maar en zei niets.
“Ga er doorheen.” mompelde B. “Neem die gevoelens waar en doe er verder niets mee, met mijn tengels van afblijven. Geen weerstand tegen ontwikkelen of er juist heel erg induiken. Als een wolk in de lucht en ik ben de lucht. Niet de wolk.”
Draak keek even naar de lucht. Blauw met wolken, het waaide flink, bomen ruisten. Wind kon vaak vervelend voelen, maar als je je er aan overgaf raakte je geest leeg. Maar dat gold voor een Draak. Niet voor die arme ijsberende B. De gedachtes van B zwermden als een grote wolk Horzels om hem heen, en als hij stil hield gingen ze allemaal op zijn gezicht zitten kriebelen en steken. Dus B moest in beweging blijven en wapperen met zijn handen. De gedachtes waren te venijnig te sterk. Draak kon ze verzengen met een vlam, maar B maakte binnen no time een nieuwe wolk.
“Dit is belachelijk Draak, het werkt niet, hoe stiller ik word hoe erger die gedachtes door me heen razen. Hoe meer lawaai, hoe meer ik beweeg hoe harder ik fiets of loop. Hoe minder erg het wordt.”
Draak zag dat B ging zitten, en onbeweeglijk werd. De horzels landden op zijn hoofd en gezicht. Ze kriebelden, maar B bewoog niet. Draak kon nu zijn gezicht niet meer zien. Hij voelde respect voor B. B ging het gevecht aan. De cluster horzels werd steeds groter, groter dan het hoofd van B. Draak werd onrustig, moest hij niet iets doen? B werd nog stiller en onbeweeglijker, hij zonk in een diepe meditatieve staat. Hartslag en ademhaling werden lager.
Minuten verstreken, uren verstreken, en B zat daar maar. En Draak keek toe. Ineens stond B op. En Draak kon zijn ogen niet geloven. De horzels bleven als een bol gewoon op hun plek. B stapte uit de bol horzels. B keek ernaar en zag alle gedachtes. Al die angstaanjagende scenario’s over verleden heden toekomst. De bol leek van zwart naar een lichtere kleur te verkleuren. De bol begon zowaar licht te geven. Duizenden lichtgevende gedachtes, nare goeie mooie verdrietige vrolijke, alles zinderde.
De bol ontplofte in duizenden fragmenten.
B zat met zijn voeten in de beek. Draak zat naast hem. Het was middag en de zon scheen haar warmte op hun gezichten. B voelde het water langs zijn voeten stromen. Hij sloot even zijn ogen. Hij miste haar. Wilde haar weer zien.
Draak knikte.
“Ik ook.” zei hij rustig.
B zat in een woonkamer op de eerste verdieping, een prettige knusse woonkamer. Hij zat op de bank met in zijn hand een glas rode wijn. Draak stond buiten, die kwam wel tot de derde verdieping, als hij zou willen. Maar nu keek Draak door de grote openstaande deuren bij B naar binnen.
B nipte aan zijn wijn. Hij voelde haar nog. Hij voelde haar in zijn hart in zijn lichaam. Ze was net weg en hij luisterde naar muziek die ze hem gegeven had. Zijn hoofd was versuft. Hij voelde alle warmte nog. En tegelijk voelde hij het niet. Een rilling liep over zijn lichaam. Hij voelde een enorme bui hangen. Een sombere bui een bui van afscheiding… nee, gewoon van gemis en verdriet.
“Mag ik nog een truffel?” vroeg Draak. B gooide er eentje in de bek van Draak.
“Draak dit is zo’n vreemd gevoel, ik kan het helemaal niet beschrijven. Als ik met haar ben dan klopt het heel erg, dan voelt het alsof het zo hoort, en als ze er niet is, dan is er een dof gevoel in mijn hoofd, alsof het allemaal niet klopt. Maar als ik dat zeg dan klopt het eigenlijk ook weer niet.”
Draak keek verlangend naar nog een truffel. B wierp er nog eentje. “Dus Draak, en nu zit ik in zo’n overgangsdinges. Het voelt nu nog allemaal wel goed, maar… hoe langer ze wegblijft hoe verv…” B zweeg, hij kon niet in de toekomst kijken. Hij wist het niet. Hij kon wel bang zijn voor allerlei dingen, maar hij wist het gewoonweg niet.
“Maar het is wel waarschijnlijk!” wierp hij de Schrijver tegen en wierp een derde Truffel richting Draak die vakkundig de lekkernij opving. “Oh Draak, wat nu in Godsnaam… ik hoor die muziek, gitaar, en een mooie stem, is liefde nou echt zo moeilijk bereikbaar?”
Draak trok zijn schouders op. “Tja, ach, twas toch een fijne middag?”
“Ja dat was het zeker, tis alleen ik voel niets meer alsof ik verdoofd ben.”
“Ja dat hoort er allemaal bij toch?” Draak keek naar B en B keek naar Draak.
“Kan er nou niet eens een wondertje gebeuren, ik bedoel iets… dat je zegt van ja… iets waardoor het allemaal in een wat beter perspectief komt te staan.” B nam nog een slokje en vroeg zich af waar de paracetamol ook al weer lag.
Draak knikte. “Een wondertje.”
B zuchtte diep. “Hoewel er al heel veel wondertjes zijn gebeurd vandaag.”
Draak trok een veelzeggend gezicht. “Zeker B.”
“Ik weet niet hoe dit goed moet aflopen Draak, ik waag me maar niet aan scenario’s. Maar ik weet echt niet hoe dit goed zou kunnen aflopen, het is zo mooi, en ik ben dankbaar, maar er zit ook een afgrond in de buurt die niet voor de poes is.”
“Dat het mooi is is een feit, die afgrond is geen feit.”
“Nee, maar…”
“Ik ben voor het eerst echt bang voor de toekomst Draak.”
“Nou, ik zou zeggen, wees blij dat je er een hebt.”
B draaide zijn ogen omhoog, en en borrelde iets van een glimlach omhoog die het net niet haalde.
“ok ok, ik ben ook blij daarom. En er is alleen het NU. Tis alleen ik vind dat wel erg zwaar hoor alleen maar leven in het NU?”
“Het is omgekeerd, niet leven in het NU is zwaar.”
B keek chagrijnig, Draak had natuurlijk gelijk maar het was ook van die boekenwijsheid waar hij eigenlijk niet zo heel veel zin in had.
“Wat let je om honderd en één initiatieven te nemen per dag?” zei Draak.
“Mezelf? Ego? Angst? Gewoonte?”
“En teveel controle willen hebben.”
“Damn…” zei B en zette het glas neer. Hij keek glazig naar Draak. “Ik ga maar slapen Draak.”
“ultieme controle.” zei Draak.
“Slapen?”
“Nee gaan slapen. Doe gewoon iets nog voor je slapen gaat waar je geen controle over hebt. Althans niet over de uitkomst.”
“Jij hebt het gewoon over risico’s nemen Draak.”
“Tuurlijk, doe nog niets. Iets wat riskant is. Niet groot, maar ook niet klein. Je zult zien dat je daar beter van slaapt.”
B blies lucht uit zijn mond, en keek voor zich uit. Iets riskants…
B was geveld, drie dagen had het geduurd, maar daar lag hij dan toch. Midden in het oerwoud. Hij was met Draak op stap. Eerst had hij had het niet eens in de gaten gehad, maar langzamerhand drong het tot hem door. Flarden van het gesprek, een reconstructie bracht een ranzige deconstructie aan het licht.
“Ik had gewoon een gezellige avond met een verre ex, Draak.” zei B. Een aap uit het oerwoud wapperde met een blad wat koele lucht langs B zijn gezicht. ”En het was verrassend fijn en gezellig, ze was lief en leuk, en we hebben gelachen. En ik was blij dat het zo kon zijn, want dat wist ik, dat wist ik drie jaar geleden ook. En al het drama heeft me niet van mijn wijs gebracht dat er uiteindelijk iets goeds tussen ons is, iets dat zich die avond bewees.”
De aap begon op aanwijzing van B wat harder te wapperen.
“Maar toen belde ik haar op afgelopen zondag, even kletsen. En toen begon het, ik het het eerst niet in de gaten. Ze begon over kleine details. En toen zei ze dat ze het meer dan gezellig vond die avond. En ik vond dat ook. Maar ze bereidde zich voor op de grote Kill. Namelijk ze maakte zich zorgen dat ze het leuk vond, ze wilde geen herhaling van drie jaar geleden. Daar was ze bang voor. Maar drie jaar geleden was ze ook al bang zonder dat er nog niets te herhalen viel. Kortom ze is bang. En dat is prima verder, maar ik had niet in de gaten dat ze aan het deconstrueren was.”
“Wat?”
“Ze deconstrueerde een gezellige avond, sneed hem mentaal aan mootjes, beschuldigde mij dat ik eigenlijk meer van haar wilde, heimelijk verliefd op haar ben, en ik maar moet bewijzen dat dat niet zo is. Dat ze het vervelend vond dat ik belde. Het ging langzaam, en niet direct. Maar op zich was dat ook nog niet erg.”
“Nee?” zei Draak.
“Ik had het niet door, ik zag het niet, ik liep er met open ogen in. Ze deelde een mentale dreun uit, eigenlijk min of meer werd ik afgestraft door een afweersysteem van haar, een afweersysteem wat doodsbang voor intimiteit is. Ze kan er niets aan doen, maar…”
B werd stil. Draak keek naar B. Hij wist dat B iets probeerde uit te leggen wat niet in woorden uit te leggen was. Draak keek met zijn mentale oog naar B. Hij zag een slangen om B heen, wurgslangen de slangen waren verbonden met D. Bij elke vorm van intimiteit genegenheid spanden de slangen zich sterker om B zijn lichaam.
De slangen waren D’s de- en her-constructie van een wat oorspronkelijk een gewoon een heel gezellige avond was. Ze waren niet echt van D, B had ze zelf omgehangen door in te gaan op alle vragen die D had gesteld. Uiteindelijk had B een flinke energetisch klap gekregen. Als straf voor een gezellig avond.
Het ging niet expres, het was geen opzet, het was als een ingewikkelde onweersbui. B vond ondanks al deze shit D gewoon lief leuk en aardig.
Draak knikte. “Het ziet er inderdaad lief leuk en aardig uit.” Draak blies de rommel rond B weg. De slangen tuimelde de lucht in Draak loste meteen een salvo Hellevuur, de slangen explodeerden als as.
B voelde zich uitgeput. Hoe kon hij nou dit laten gebeuren.
“Sommige dingen zijn sterker dan jij B. Ook op energetisch vlak.”
B ging zitten, hij voelde zich al zo rot, en nu ook nog dit. Sterker dan…
“Wat een rotwoorden B, ik wil geen energetische klappen meer krijgen.”
“KOm kom, het feit dat je het toelaat betekent dat je vol vertrouwen open hebt gestaan. Dat is op zich een normale benadering van iemand.”
“Ja ja, een ezel stoot zich geen tweede keer aan dezelfde steen.”
“Dit was geen steen B. Dit was D.”
B keek op naar Draak. Draak peuterde wat aan een nagel, kneep zijn ogen half dicht en keek naar B.
“Dit was zeker D.” mompelde B en stond op. Op zoek naar een heldere beek.
De aap rende achter hen aan.
