januari 2009


4041730-lg1

Elf sloeg haar mantel om B. Het was koud maar helder. Ze had hem meegenomen naar een winterpaleis van haar tante de IJskoningin. B had geprotesteerd, hij had immers weinig goeie verhalen gehoord over de IJskoningin. Maar Elf had hem gezegd dat het goed was om haar te ontmoeten.
En daar stonden ze dan. Een enorme troonzaal met aan  het einde een hoge troon. De IJskoningin leek te versmelten met de troon. Ze was zwart gekleed  waardoor haar bleke gelaat smetteloos wit leek. Al die  tijd dat B  en Elf richting de troon liepen had de Koningin niet bewogen. B kon haar ogen zien, die ongekend iridiserend fel waren. De kleur van haar ogen leek afhankelijk van de hoek waarin je er naar keek. B keek ernaar, maar de ogen keken niet terug, ze leken te staren naar een ijskoude verte.

Elf boog naar de IJskoningin. “Groet, Runa, IJskoningin, ik heb een Zoeker meegebracht.”

De iridiserende ogen verschoten van kleur en staarden onbewegelijk naar de ogen van B. B voelde een rilling, het was alsof hij puur en alleen werd gescand op haat.

“Waarom?” de stem van Runa klonk ongekend warm voor een IJskoningin. B raakte van slag door die contradictie en begon direct verklaringen te bedenken. 

 Elf boog weer naar de IJskoningin. “Hij is zijn pad kwijt.”

“Dat zijn alle zoekers.” nu klonk de stem van Runa ijs en ijskoud. B voelde rillingen over zijn rug, zijn zoeken naar verklaringen bevroor ter plekke.

“Zoekers hebben geen pad.” Runa klonk nu als een klein kind die een ander aan het pesten was. Maar het was alleen haar stem, haar gezicht bleek uitdrukkingsloos.  Ze stond soepel en krachtig op en liep sierlijk en snel op B af. Ze ging vlak voor hem staan. Ze was iets langer dan B.

Ze tikte met een skepter op zijn hoofd. 

“Heeft hij wel hersens?”  Schreeuwde  ze als een verzuurde schooljuf uit een Dickens verhaal. “Zoekers hebben geen hersens, Zoekers zijn dom en achterlijk.” Ze had zich weer omgedraaid en liep richting haar troon. 

“Maar wel een stuk warmer dan een gemiddelde ijskoningin.” flapte  B er zomaar uit en keek geschrokken naar Elf.

De IJkoningin zat weer in haar troon en keek furieus naar B, op het moment dat je verwachtte dat ze B een klopje kleiner zou gaan maken, barstte ze in een hoog lachen uit. B keek naar haar ze leek totaal niet meer op een ijskoningin,  ze lachte als Elf in de lentezon. 

“Hij is naief grappig Nichtje.” zei ze nog steeds grinnikend.

Het was dat B het zo koud was, anders zou hij zweren dat hij ontdooide.

“Waarom is die koukleum hier?” Runa keek naar B. B keek naar Elf.

“Hij is hier vanwege de liefde.” zei Elf.

Runa zweeg als een pas bevroren ijskristal. Haar ogen werden dof en donker, en alles om haar heen leek een paar graden verder onder nul te verstarren. Een gure wind stak op. 

“Liefde?” kraste ze als een oude heks. “Waarom kom je hierheen Nichtje, waarom  kom je helemaal hierheen om dat verdorven woord uit te spreken.”

Elf keek verontwaardigd naar Runa. “Ik wil dat wat jij weet over de liefde aan B vertelt.”

De nu bijna zwarte ogen, flitsten naar Elf, ze kuchtte een cynische lach uit haar mond gepaard met een condenswolkje. “Kijk eens om je heen liefje.” zei ze nog steeds als een oude heks. “Kijk eens goed om je heen, wat kan er in deze kou duidelijk gemaakt worden over liefde?” ze richtte haar hoofd als een oude vermoeide vrouw naar B.

“En jij, zoeker, jouw hart is natuurlijk gebroken. En mijn Nichtje wil het genezen, door te laten zien wat er gebeurd als je hart niet meer heelt.” 

B trok zijn wenkbrauwen op, en zei trillend van de kou.”Dat je dan zoals u wordt een ijskoude ijskoningin?”

De ijskoningin sloot haar ogen. En haalde diep adem.

“Je gelooft het of niet Zoeker, maar ook ik heb liefde gekend.” De ijskoningin opende haar ogen. Die leken te kijken naar een verre zonovergoten plek, met een mediterraans klimaat. “Liefde zoals je verwacht dat liefde zou voelen.” Haar blik verstarde en leken een inkvlek van woede die zich verspreidde over haar heel lichaam.

“Verderf en haat kan het brengen.” schreeuwde ze. “Oorlog en rampspoed.” Gilde ze bevend. Ze kromp weer ineen. “En als je dan in de liefde blijft geloven, nadat je ware liefde bent tegengekomen en weer bent kwijtgeraak… dan… dan of kwijn je weg, of je verkilt. 

En wordt je ijs!” 

Die laatste woorden klonken buitenwerelds krachtig. De koningin leek uit haar oude heksenstemming te komen ze ging rechtop zitten. Haar ogen kregen weer een zilveren iridiserende glans. 

“IJs!” riep ze weer en overal klonk gerinkel van ijskristallen. “IJs geeft kracht.” ze stond op en leek wel een gletscherblauw licht uit te stralen. “IJs is macht!” schreeuwde met een kracht waar zelfs Draak van onder de indruk zou raken.

B had het ondertussen alleen maar kouder gekregen, en vroeg zich steeds meer af wat hij hier deed.

Soms voel ik je

overal om me heen
,
hoor ik je adem
,
zo zacht en teder,

fluistert de wind
je verhaal in m’n hart.

Blijf ik luisteren
door verdriet en pijn
zie ik zoveel liefde,
Dat ik daar wil zijn.