februari 2009


B en Elf liepen terug naar het Bos. B keek bedrukt. 
“Wat zit je dwars B?” vroeg Elf.
“Nou het is allemaal wel heel leuk met die ijskoningin en dat ik herkende dat het verdriet was, en dat het allemaal zo’n mooie doorbraak was…” B keek naar de grond, naar zijn voetstappen naar de herfstbladeren. “Maar wat heb ik eraan? Ik bedoel allemaal heel fijn voor haar, en mooi en symbolisch, maar wat heb ik eraan? Wat schiet ik er mee op? Voel ik me beter?”
“Denk je dat zij zich beter voelt?” vroeg Elf.
“Ik denk hooguit dat ze beter voelt wat er in haar leeft.” zei B enigszins moedeloos. “Oh nee, weer dat verhaal Elf, dat het niet gaat om je beter te voelen, maar gewoon om te voelen wat er te voelen valt. Of dat mooi of lelijk is, als je het maar voelt.”
“Nee.” zei Elf zacht. “Zo strak zit het niet… het gaat om het vechten tegen wat je voelt. Voelen wat je voelt klinkt als een actie maar dat is het niet. Je voelt al wat je voelt. Je kunt je er alleen tegen wapenen, tegen vechten, ontkennen, bevriezen, of afreageren. Of al die dingen…” Elf sprak als kwikzilver. “Je hoeft dat alleen maar te laten en dan komt er vanzelf boven wat er toch al zit.”
B voelde zich iets rustiger bij de woorden van Elf. “Het zit er toch al.” fluisterde hij.
 ”En verdriet is niet statisch het is in beweging. Dat is het nadeel van woorden. Als je verdriet hebt, lijkt het of het een ding is. Maar verdriet kent vele kleuren.”
“Eigenlijk begrijp ik niets van emoties en gevoelens.” zei B. “Waarom zijn ze er? Waarom voel ik verdriet? Waarom ben ik verdrietig dat ik haar niet meer zie?”
“Je ziet het als een straf, een consequentie, een karmisch iets.” zei Elf. “Terwijl als je het als een beweging ziet en voelt…”
B schudde met zijn hoofd. “Daar begrijp ik allemaal niets van Elf… beweging en zo, dat zegt me niets. Ik voel verdriet, en het lijkt maar niet op te houden, steeds erger te worden, en als ik het accepteer lijkt het nog sterker te worden… ik voel me hopeloos uitzichtloos etc. Wat heb ik daaraan? Wat schiet ik er mee op? Ik weet dat de gedachte is dat verdriet je terugbrengt bij wie je werkelijk bent.”
“Altijd.” zie Elf. “En hoe verder je van jezelf af bent hoe groter het verdriet.”
“Is verdriet dan een soort versnelde reis naar jezelf?” vroeg B.
“Verdriet is het loslaten van dat wat je van jezelf afhoudt…”
“Pfff, wat een vaag gedoe zeg… daar kan ik werkelijk helemaal niets mee,
Ik mis haar gewoon en niet zo’n beetje ook.”
“Omdat je bij haar meer bij jezelf was.”
“En waarom kan ik dat dan niet in mijn uppie, heb ik dan zoveel bevestiging nodig van een ander.”
“Bevestigen kan alleen maar als het waar is.” zei een heel andere stem. Het was Lao Tzoen, kennelijk liep hij al een tijdje achter hun. Nu hij was opgemerkt ging hij naast B lopen.
“Lao! Maar wat zeg je nu allemaal weer?”
“Je kunt alleen maar bevestigt worden in wat al zo is. Je kunt nooit bevestigt worden in wat niet zo is. Als jij geen clown bent, kun je nooit bevestigt worden in je clown zijn.”
“Dat kan wel zo zijn Lao, maar hoe komt het dan dat het zoveel sterker is als een ander iets bevestigd dat ik bijvoorbeeld lief, aantrekkelijk etc ben. Het lijkt wel of het niet zo is als het niet gezegd wordt.”
“Het kan heel goed dat je in je eentje minder lief bent. Zeker als je liefde voor iemand voelt. Dat gaat altijd wat lastiger in je uppie. Als het ontvangen wordt en beantwoordt, dan vallen de remmingen voor liefde weg, en kan het stromen zoals het ook hoort te stromen.”
Lao haalde een appel tevoorschijn en beet er opvallend hard in.
B keek geïrriteerd. “Nou dus is het niet onlogisch dat ik me rot voel”
“Inderdaad.” zei Lao met volle mond.
Weer voelde B dat hij geen cm verderkwam. Ze kwamen bij de oever van een rivier. Ze besloten om even te rusten. Lao ging met Elf op een omgevallen boomstam zitten, terwijl B bij de oever keek naar hoe het zonlicht speelde met kleine murmelende stroompjes van de rivier. Hij voelde zijn ziel tot rust komen. En altijd als dat gebeurde dan verscheen ze weer. Hij creëerde weer onrust, hij wilde niet meer aan haar denken, maar het ging vanzelf, en vooral als hij iets moois zag.

B zat in een ijsgrot achter slot en grendel. De IJskoningin was het zat geworden, en voor B iets had kunnen zeggen en Elf had kunnen ingrijpen hadden wachters B naar een cel gesleept. 
B had het koud en trilde af en toe. Hij probeerde zich warm te houden door zijn handen te wrijven en er warme lucht in te blazen. Niet dat het veel hielp.
Hij was geschrokken van de IJskoning. Hij kon maar niet begrijpen dat Elf hem hier naar toe had genomen. Wat was haar bedoeling toch geweest.
Er klonk een zacht geluid. B keek naar de tralies zijn maag kromp ineen; daar in de schaduw stond gewoon de IJskoningin naar hem te staren, bewegingsloos en haast geluidloos.
“Daar zit je dan te kleumen Zoeker.” zei ze sneeuwzacht. “Ha… je zult wel merken dat vriesdood niet zo erg is. Het is zacht en subtiel. Prettig zelfs.”
 B keek haar huiverend aan. Ze was zo mooi en tegelijk zo dodelijk. Hij kon niet geloven dat ze door en door slecht was.
“Waarom sluit je me op?” vroeg B. “Waarom laat je me niet gewoon gaan?”
“Omdat ik er zin in heb, en je me irriteert.”
“Waarom kom je me dan opzoeken?”
De IJskoningin zweeg. Ze leek ver weg te kijken. Er leek iets van een emotie op haar gezicht te komen die weer snel bevroor. “Leedvermaak.” zei ze rustig.
“Onzin.” zei B. “Ik doe je aan iemand denken. Dat is waarom je hier bent. Ik doe je denken aan degene van wie je ooit gehouden hebt, je bent gefascineerd door de herinneringen die er worden opgeroepen, maar het verafschuwt je ook. Daarom laat je me niet gaan. Ik ben een soort ongewenste herinnering, en die moet opgesloten worden en bevriezen.”
Ondanks haar ijzige voorkomen leken haar ogen vuur te spuwen, maar ze zweeg.
“Was het zo erg om lief te hebben? Was het zo verschrikkelijk dat er niets meer mogelijk is? Denk je werkelijk dat er dan niets meer kan?”
“Wat weet jij daar nu van Zoekertje? Wat weet jij van liefde en liefde verliezen?”
“Ik weet daar alles van.” zei B ineens met ingehouden woede. Hij pakte de ijstralies vast en keek naar de IJskoning die in de schaduw stond.”Ik weet hoe het is om liefde te voelen, niet alleen van mezelf naar de ander maar ook van de ander naar mij. Ik weet hoe onbeschrijfelijk mooi dat is. Hoe alles op zijn plek valt, alsof het altijd al zo geweest is. Alsof elke vezel in mij met haar verbonden is. En ik weet hoe het voelt als die liefde beantwoord wordt, hoe dat voelt, dat alles gaat stromen, alles is goud en licht, heilig bijna, zo helder als een waterval sprankelend, haar huid, haar lippen tegen de mijne, Ik weet hoe het is om iemand te voelen alsof de ander een deel van me wordt. Zelfs al de ander ver weg is. Ik kan haar hand nog steeds in mijn hand voelen. Soms voel ik haar door me heen, door mijn ziel, geest. Ze is dan overal. De zoete warmte van die liefde die…” B trilde. De IJskoningin leek zelf wel vastgevroren. “Die je maar met een persoon kan delen…” zei B. De IJskoningin sloeg haar ogen neer. 
“En dan gaat die ander weg. Ook al houdt ie van je.” zei ze ongekend zacht.
“Ja.” zei B. “Terwijl je zeker weet dat ie ander liefde voor je voelt op een manier die je misschien maar een keer in je leven meemaakt. Die ander loopt gewoon weg. En laat jou achter. En jij kunt niets doen. Je kunt er niet achterna, want die ander wil het niet. Je weet dat die liefde die er tussen jullie is zo’n beetje het belangrijkste is wat je je maar kunt bedenken. Maar kennelijk denkt die ander er anders over.”

“En die ander breekt je hart.” zei ze.

“En de wereld vergaat.” zei B.

“En er klopt nergens meer iets van.” zei de IJskoning.

“Het is alsof je doodgaat.”

“En alles bevriest.” zei ze met een warmte die de ijstralies deed smelten. B liep op de IJskoningin af en omhelsde haar. Ze was totaal verrast maar kon geen weerstand meer bieden. Ze liet haar tranen de vrije loop. En al het ijs smolt. Haar paleis, haar ijswachten. Alles smolt terwijl zij haar verdriet liet gaan.

B hield de koningin stevig vast en fluisterde. “Al dit ijs was al die tijd jouw bevroren verdriet…”

Ik mis je, nog steeds, elke dag.
Ik dwaal maar wat rond,
van de ene vrouw naar de andere,

En nergens vind ik liefde
zo helder als bij jou… 

Ik wou dat ik
iemand vond die beter
was dan jij.

Maar die is er niet.

Nog niet, nooit niet.
Die vraag…

Ik durf niet meer te voelen
Je liefde…
was het liefde… 

Als naar de Zon,
Verlang ik naar je
warmte. 

Al is het
nog zo koud.

Zo koud…