juni 2009


93… die leeftijd had hij zich voorgenomen. En die leeftijd had hij nu. Hij had gedroomd van oud worden in Toscane, met dorpelingen babbelend op een bankje onder een grote boom aan ‘t dorpsplein. En daar zat hij nu. Mijmerend, luisterend naar het ritselen van blaadjes aan de grote boom. Kijkend naar spelende kinderen en flanerende mensen. Hij doezelde en voelde de zachte wind tegen zijn gezicht.
Hij had liefgehad, zijn grote liefde gekend en bemind. En hij was terugbemind. Meer dan hij had durven dromen. Genoeg voor vele levens. Zijn glimlach sprong licht trillend in zijn gezicht. Hij wist alles nog. Van de eerste ontmoeting tot het sluiten van haar ogen.
Zijn hart stroomde over. Die ogen. Haar ogen. Van alle liefdes die hij had meegemaakt waren het de ogen die alles hadden gezegd zonder één woord. Ergens wist hij het wel. Maar toen hij ze zag wist hij het zeker. Niet in de stem of houding of uiterlijk of het eindeloze vechten voor balans. De ogen maakten het verschil, haar ogen…
En die ogen hadden teruggekeken. Met een felle nieuwsgierigheid en intelligentie die hem deden lachen.
“Niet te lang in de zon kijken!” zei een jongen van een jaar of 24 tegen de oude man. Hij keek naar de jongen. Hij had dezelfde ogen. De oude man knikte en glimlachte. De jongen glimlachte terug. Zijn hart stroomde over…
De jongen sprong op en liep naar de overkant van het plein. Naar z’n vriendin. Vanaf de overkant zwaaiden ze allebei naar grootvader… die een kleine glinstering had in zijn oog… Een glinstering van geluk.

Het is nacht, geen maan geen sterren. Mijn balkon alleen verlicht door een straatlantaarn. Sigaretten zijn weer op en ik koop geen nieuw pakje meer.
Veel gefilmd, door het hele land gereden met een piepkleine daihatsu. Van Den Haag naar Goes naar Bussum en weer naar Amersfoort. Film voor Rabo, Parade met een theatergroep.

Zoveel gebeurd, zoveel tegelijk…
Zelfs de VPRO belde me op. Ze hadden een date voor me. En of ik dan wilde vertellen over de liefde, en dat die date dan wat vertelde over de liefde, en dat we dan elkaar gingen ontmoeten. Ergens… zonder elkaar ooit gezien te hebben.
En na afloop wilde ze aan ons allebei vragen wat we van elkaar vonden. Alles zou gefilmd worden en drie minuten vullen in een van de afleveringen van Cafe de liefde…

Ik heb er een nacht over nagedacht. Ik zei nee. Ik vond het te persoonlijk om zoiets te delen met heel nederland. Nee geef mij maar een column of zo… daar ben ik meer op mijn plek. ;-)

Amersfoort Bussum Den Haag Goes, zoveel mensen ontmoet. Ook leuke vrouwen…

En niemand, maar dan ook niemand komt ook maar een ietsiepietsie in de buurt van haar. “I” die ik vorig jaar ontmoette. En die weer weg is. Op zoek naar zichzelf, me niet meer wil zien.

Misschien had ze wel gekeken, als ik ja had gezegd. En als de date wel succesvol zou zijn geweest, was ze misschien wel blij voor me geweest. Want ze voelde zich zo schuldig dat ik verdriet voelde omdat ze me niet meer wilde zien.

En juist dat deed het meeste pijn.

Ik voelde dat ze van me hield, werkelijk van me hield. En toch was het niet zo.

Die twee zinnen die nog steeds de grond onder mijn voeten vandaan schudden.
Die twee zinnen die ik maar niet bij elkaar kan brengen. Twee onverenigbare zinnen die moeten slijten…

Kan liefde slijten…

Als een nacht zonder sterren,
zonder maan…
zinderend met zachte geluiden.
En zij is daar ergens…
in diezelfde maanloze nacht.

Ademt ze haar dromen.

Zachtjes kus ik haar.

B stond voor Draak.  Het was in de vroege ochtend. Het was nevelig en de zon had zich nog niet laten zien. Zonder de hitte van Draak zou het een beetje kil zijn geweest.
“Draak.” zei B. “Alles staat op nul op de een of andere manier.” hij keek naar de kolossale poten van draak. “Ik werk me te pletter, maar ik voel nog geen grond onder mijn voeten.”
“Een groot deel van mijn leven heb ik letterlijk geen grond onder mijn poten.” zei Draak.
“Omdat je vliegt.” zei B.
“Omdat ik vlieg.” zei Draak.
“Ik kan niet vliegen Draak, dus ik heb geen reden om geen grond onder mijn voeten te voelen.”
Draak trok zijn schouders op waarbij wat askegeltjes rokend van zijn lijf rolden. “Waarom zou je steeds maar grond onder je voeten moeten voelen?”
“Grond!” riep B. “Als in veiligheid en geborgenheid.”
“Veiligheid en geborgenheid, zijn kwaliteiten, geen omstandigheden.” zei Draak. “Tenzij je een kind bent, dan mag je hopen dat je die omstandigheden hebt.”
B zuchtte diep. “Draak jij gaat altijd maar uit van een soort perfecte mens, dat is echt niet haalbaar. Ik bedoel hoe haalbaar is dat dan?”
“Wat?”
“Dat je alles altijd maar als een soort Boeddha of Jezus alles uit jezelf kunt halen.”
“Zei ik dat? Goh…” De ogen van Draak vlamden even op. B werd chagrijnig.
“Ik wil grond onder mijn voeten!” riep B kwaad. “Snap dat dan toch!”
“En waar stamp je dan op als ik vragen mag?” zei Draak.
B draaide zijn ogen omhoog.”Het is een metafoor.”
“Voor?” zei Draak.
“Zit me niet de hele tijd te herhalen grote hagedis.”
“Een metafoor VOOR wat?” zei Draak onverstoorbaar.
“Dat ik, dat ik…nou grond, ik wil grond, stevigheid, basis, ik wil me veilig voelen.”
Draak bracht zijn grote gruwelijke kop ineens tot vlak voor B zijn gezicht. B kon een brandlucht ruiken. Hij slikte even. En probeerde niet te laten merken dat hij geschrokken was. Draak sprak op een toon die van alle kanten leek te komen.
“Zolang ik geen pesthumeur heb ben jij veilig.”  B keek naar de twee rode ogen van Draak. Draak was best eng, en eigenlijk best gevaarlijk. In zekere zin was B helemaal niet veilig bij zo’n afschrikwekkend beest. Maar B was nooit bang voor Draak, hij kon wel schrikken van hem, maar hij was nooit bang.
“Hoeveel veiligheid heb je nog nodig B, als je niet eens bang bent om met een afzichtelijke gruwelijke Draak als ik om te gaan.”

En dan waren er ineens die woorden dat je
zelf moet beslissen of iemand de waarheid spreekt of niet.
Alles draait om beslissingen.
Zoveel angst voor liefde in deze wereld.
Ben ik er zelf nog bang voor?
Ja, maar ik loop er niet meer voor weg.
En ik weet dat het liefde is. En die is niet weg,
niet bij mij.

Het jongetje liep over een houten brug, je zag zijn silhouet tegen een ondergaande zon. Er hingen mistflarden boven het water. Af en toe maakte hij sierlijke bewegingen met zijn armen, alsof hij danste. En af en toe sprong hij om de brug te laten wiebelen
Er stond nog een silhouet wat niet bewoog. Het was de Meester. De Meester keek naar de zon die net zo oranje was als zijn gewaad. Het jongetje ging naast de meester staan, net zo onbeweeglijk. Beiden keken naar de zon.

“Stel dat een man met heel zijn hart van een vrouw houdt.” zei de meester. “En die vrouw houdt met heel haar hart van die man.” Het jongetje legde zijn hoofd in zijn nek en keek op naar de meester. “En stel…” ging de meester verder. “Stel dat een man met heel zijn hart van een vrouw houdt… en die vrouw houdt niet van hem?”
De meester zweeg en het jongetje gooide een steentje in het water. “Waarin verschilt nu de liefde van die twee mannen?”
“Bij de eerste liefde leert de man de vrouw kennen en de vrouw de man.” zei het jongetje en keek even nadenkend omhoog. ”En bij de tweede liefde leert de man zichzelf kennen.”
De Meester glimlachte en zei: “Kennismaken kan niet zonder zelfkennis?” Het jongetje begreep de vraag niet.

Ze zwegen een tijdje en werden een met de omgeving die traag in een gouden ondergaande zon werd gedompeld.

“Er valt niets te leren van de liefde.” zei de Meester. “Noch van relaties…”
“Maar…” zei het jongetje niet begrijpend. De meester gebaarde stilte.
“Je kunt er alleen maar van genieten… en in het ergste geval jezelf herontdekken.”

“Is dat erg dan? Jezelf herontdekken?” het jongetje keek bezorgd omhoog naar de Meester.

“Alleen als je net begonnen bent.” zei de meester. “En alleen als je ooit jezelf bent kwijtgeraakt natuurlijk.”

“Natuurlijk.” aapte het jongetje na. “Ik heb mezelf nog he?” zei het jongetje.

De meester keek naar het bezorgde gezicht.

“Oh ja, jij wel.” zei hij glimlachend.

Het jongetje knikte en begon te springen. De brug begon weer te wiebelen. De meester hopte met zijn kaarsrechte houding vanzelf een beetje mee. Na een paar keer springen stopte het jongetje weer en hun lachen fonkelde als zonlicht in het water.

Volgende Pagina »