93… die leeftijd had hij zich voorgenomen. En die leeftijd had hij nu. Hij had gedroomd van oud worden in Toscane, met dorpelingen babbelend op een bankje onder een grote boom aan ‘t dorpsplein. En daar zat hij nu. Mijmerend, luisterend naar het ritselen van blaadjes aan de grote boom. Kijkend naar spelende kinderen en flanerende mensen. Hij doezelde en voelde de zachte wind tegen zijn gezicht.
Hij had liefgehad, zijn grote liefde gekend en bemind. En hij was terugbemind. Meer dan hij had durven dromen. Genoeg voor vele levens. Zijn glimlach sprong licht trillend in zijn gezicht. Hij wist alles nog. Van de eerste ontmoeting tot het sluiten van haar ogen.
Zijn hart stroomde over. Die ogen. Haar ogen. Van alle liefdes die hij had meegemaakt waren het de ogen die alles hadden gezegd zonder één woord. Ergens wist hij het wel. Maar toen hij ze zag wist hij het zeker. Niet in de stem of houding of uiterlijk of het eindeloze vechten voor balans. De ogen maakten het verschil, haar ogen…
En die ogen hadden teruggekeken. Met een felle nieuwsgierigheid en intelligentie die hem deden lachen.
“Niet te lang in de zon kijken!” zei een jongen van een jaar of 24 tegen de oude man. Hij keek naar de jongen. Hij had dezelfde ogen. De oude man knikte en glimlachte. De jongen glimlachte terug. Zijn hart stroomde over…
De jongen sprong op en liep naar de overkant van het plein. Naar z’n vriendin. Vanaf de overkant zwaaiden ze allebei naar grootvader… die een kleine glinstering had in zijn oog… Een glinstering van geluk.