Het Jongetje liep door de jasmijntuin, zijn hoofd naar beneden. Zijn gemoedsrust was verstoord, zijn ademhaling snel en zijn hoofd vol tollende gedachtes. Hij zocht de Meester.
“Meester.” riep hij zodra hij de Meester zag. ”Meester…”
De Meester zat in meditatie naast een enorme lotusbloem. Zijn ogen half gesloten en een beginnende glimlach rond zijn mond. Het Jongetje ging naast hem zitten. Zijn adem was nog snel en zijn onrust was groot.
“Meester…” zei hij weer, maar iets zachter. Hij trilde. De Meester legde een hand op zijn schouder. Het jongetje voelde tranen opkomen. Zijn gedachtes braken als een dam. Hij liet het verdriet zijn geest stil spoelen. Zijn ademhaling werd langzaam rustiger.
Het wateroppervlak van zijn geest was bijna een spiegel, rimpelingen vervormde de weerspiegelde wolken… een verdrietig nagevoel bleef bij het jongetje.
De meester haalde zijn hand weer weg.
“Meester, ik voel me blij als ik speel met kinderen die mij leuk vinden.” het Jongetje keek voor zich uit en haalde diep adem. “Maar vandaag was ik met een groep die me haatte… en ik voel me ongelukkig.”
Het jongetje voelde een golf van onrust.
“Mijn geluk is afhankelijk van anderen…” ”En dat wil ik niet, ik wil dat geluk ergens anders vandaan halen zodat ik er altijd bij kan. Waar ik ook ben.” hij keek naar de Meester die zijn ogen nu open had.
De Meester liet Stilte de vraag in zich opnemen. De vraag paste makkelijk in de enorme uitgestrektheid van Stilte. Het jongetje keek ernaar. Hij zag de enorme kracht en angst voor het verlies van geluk, hij zag de oneindige ingewikkelde reacties om het geluk vast te houden. Hij zag de myriades aan adviezen en strategieën hoe je geluk kon vinden. En hij zag vooral dat in al die handelingen geen spoor van geluk te vinden was.
Hij speelde met een groep kinderen, en er ging iets fout, de kinderen werden kwaad op hem scholden hem uit, stootte hem uit de groep en hij ervaardde een diep ongelukkig gevoel. Hij voelde de enorme kracht om weer bij de groep te horen. Hij had zo alles wat hij was overboord gegooid om er weer bij te mogen horen. Hij schrok van die enorme kracht en was weggerend.
“De gedachte dat ik nooit meer een groep zou vinden, omdat ik anders ben.” zei het Jongetje en keek naar beneden. ”Ik zag mezelf ineens eindeloos zoeken naar de juiste groep… ik zag de angst voor groepen ontstaan, altijd weer onzeker over ik wel of niet word geaccepteerd. Ik werd bang dat die angst me ongeschikt zou maken, me afstotelijk zou maken.”
De meester en de leerling lieten de stilte weer even zijn. De natuur, de lotusbloem, de wolken, de wind spraken voor zich. Ze vermengden zich met de vraag, wervelden door de geest van de leerling.
De meester doorbrak de stilte.
“Wat is geluk als je onafhankelijk bent van geluk…” zei de Meester.
De ogen van de leerling werden groter. De vraag deed hem duizelen. Hij wilde een antwoord geven… hij dacht aan de hand op zijn schouder. Hij voelde de rust na het verdriet.
“Liefde is onafhankelijk van Geluk…”
Het Jongetje voelde een teleurstelling, alles bleek altijd maar liefde, iets wat hij niet altijd begreep. Het leek wel een stopwoord voor volwassenen.
Hij voelde ook wel iets van opluchting. Hij stond op groette de meester en liep terug naar de groep kinderen.
Misschien was hij toch iets te snel weggerend.